Programma

Openbreken ‘black box’ e-health helpt bij daadwerkelijk gebruik

(Onderzoek) Het daadwerkelijk gebruik van ICT en e-health in de zorg blijft achter bij de potentie ervan, zowel bij zorgverleners als patiënten. Het gebrek aan bewijs dat dergelijke toepassingen werken, belemmert de grootschalige uitrol ervan. Toepassingen blijven vaak een black box. Een holistische evaluatiebenadering kan deze black box openen. Dat stelde Floor Sieverink op donderdag 14 december tijdens haar promotie aan de faculteit Behavioural, Management & Social Sciences van de Universiteit Twente op het proefschrift Opening the Black Box of eHealth.

Potentiële voordelen van e-health zijn er genoeg, benadrukt Floor Sieverink. Zo bieden patiëntenplatformen of -portalen mensen met een chronische aandoening de mogelijkheid om meer betrekken te raken bij hun eigen zorg. Ze kunnen bijvoorbeeld hun eigen gegevens inzien en delen met hun zorgverleners, educatie krijgen over hun aandoening, werken aan hun persoonlijke gezondheidsdoelen, korte vragen stellen aan zorgverleners of contact leggen met lotgenoten.

Zorgverleners kunnen op hun beurt de gezondheid van de patiënt beter in beeld krijgen als zij toegang hebben tot gegevens die de patiënt over zichzelf heeft verzameld. Eventuele gezondheidsklachten kunnen dan sneller worden opgemerkt en behandeld.

Achterblijvend gebruik e-health

Ondanks die potentiële voordelen blijft het daadwerkelijke gebruik van digitale toepassingen zoals patiëntenplatformen vaak achter en is er nog maar weinig bewijs voor de effectiviteit van deze eHealth-toepassingen, constateert Sieverink in haar proefschrift. Dat maakt een grootschalige implementatie vaak lastig. Een probleem is dat in de meeste evaluaties de platformen gezien worden als opzichzelfstaande technologieën die vooral bedoeld zijn voor de patiënt.

“Vaak wordt er alleen een experimentele studie uitgevoerd die met name aangeeft of een toepassing de patiënt heeft geholpen,” legt Sieverink uit. “Maar de implementatie van een patiëntenplatform is een complex proces waarbij ook de zorgverleners en de bestaande zorgprocessen een belangrijke rol spelen. Dergelijke evaluaties verklaren niet hoe de technologie werd ervaren door de gebruikers, hoe dit invloed heeft gehad op het daadwerkelijke gebruik, en dus waarom bepaalde effecten wel of niet werden gevonden. De toepassing blijft hierdoor een black box.”

Openen van de black box

Om deze black box te kunnen openen, bepleit Sieverink een ‘holistische evaluatiebenadering’ die rekening houdt met de technologie, de gebruikers én de context waarin de toepassing wordt geïmplementeerd. In haar proefschrift ligt de focus op de procesevaluatie van de implementatie van platforms voor patiënten met diabetes mellitus type 2, chronisch hartfalen, of COPD (e-Vita). Hiervoor heeft ze een zogeheten ‘mixed methods design’ toegepast: kwalitatieve en kwantitatieve data zijn door haar verzameld en afzonderlijk geanalyseerd, de resultaten hiervan zijn samengebracht.

Zo zijn logdata benut om inzicht te krijgen in hoe e-Vita op de lange termijn werd gebruikt; focusgroepen zijn georganiseerd om inzicht te krijgen in hoe zorgverleners het platform in willen zetten in hun dagelijkse werkzaamheden, en interviews met zorgverleners en usability tests met potentiele eindgebruikers zijn gebruikt om meer inzicht te krijgen in hoe patiënten en zorgverleners het implementatieproces en het gebruik van het platform hebben ervaren.

Training, ondersteuning nodig

De resultaten van het onderzoek tonen dat de betrokken zorgverleners de potentie van patiëntenplatformen onderschrijven, maar dat training en ondersteuning noodzakelijk zijn om een platform ook daadwerkelijk in te kunnen zetten in de dagelijkse routine. Pas als deze toegevoegde waarde duidelijk is, kunnen zorgverleners patiënten ook daadwerkelijk motiveren om het platform te gaan gebruiken.

“Patiëntenplatformen implementeren zich dus niet vanzelf”, aldus Sieverink. “Om dit proces te faciliteren, acht zij het van groot belang dat alle eindgebruikers al vroeg in de ontwikkeling van toepassingen zoals een portaal te betrekken. Zo kan toegevoegde waarde worden gecreëerd en de daadwerkelijke implementatie worden gefaciliteerd. Korte en iteratieve ontwikkelcycli zijn hierbij cruciaal om problemen al in een vroeg stadium van de ontwikkeling te signaleren en de kans op een succesvolle implementatie te vergroten.

Toegevoegde waarde ‘mixed methods’

Sieverink noemt de gebruikte ‘mixed methods’-benadering van grote toegevoegde waarde bij de evaluatie van de implementatie van een platform voor patiënten met diabetes, chronisch hartfalen, of COPD. “Op deze manier hebben we inzicht kunnen krijgen in het daadwerkelijke gebruik van het platform, en verklaringen kunnen vinden voor het beperkte gebruik. Deze resultaten waren niet naar boven gekomen wanneer de evaluatie zich alleen had gericht op de effectiviteit van een toepassing in een experimentele studie. Met dit onderzoek, waarbij we gebruik hebben gemaakt van geavanceerde onderzoeksmethodes, dragen we bij het aan het openen van de Black Box van eHealth.“

Mis niks en ontvang de spannendste ontwikkelingen