Hoe mbo-studenten het verschil kunnen maken
Om onderstaande en alle andere premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
U kunt nog {free_articles_left} premium artikel gratis lezen. Om meer premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
Zorgtechnologie is inmiddels een vertrouwd begrip in de zorgpraktijk. Studenten van de opleidingen Verpleegkunde, Verzorgende IG en Maatschappelijke Zorg komen er tijdens hun stages regelmatig mee in aanraking: van slimme medicijndispensers tot digitale communicatiemiddelen. Toch blijkt uit ervaringen van zowel studenten als praktijkinstellingen dat deze technologie vaak ongebruikt blijft. Software wordt genegeerd, hulpmiddelen blijven in de kast. Waarom?
Oorzaken variëren: gebrek aan tijd, onvoldoende kennis, ethische vragen of simpelweg het gevoel dat het niet werkt. En dat terwijl de druk op de zorg blijft toenemen. Juist technologie kan helpen die druk te verlichten. Een zorgmedewerker verwoordt het treffend na de aanschaf van een Tovertafel: “Er wordt weinig naar gevraagd, groepen gebruiken hem niet. Weer zo’n apparaat dat er maar hangt.”
Hoe komt het dat waardevolle technologie letterlijk en figuurlijk ‘in de kast’ blijft liggen? En belangrijker: hoe kunnen mbo-studenten bijdragen aan het daadwerkelijk inzetten van deze technologie? In het innovatieonderzoek ‘Hoe komt de kat uit de kast?’ gingen docent-onderzoekers van het Graafschap College en ROC van Twente op zoek naar antwoorden.
Om te begrijpen waarom zorgtechnologie vaak ongebruikt blijft, interviewden onderzoekers negen individuele professionals uit verschillende branches. De bevindingen uit deze gesprekken werden ter controle besproken met leden van de Technologie en Zorgacademie (TZA) in de regio’s Achterhoek en Twente, bestaande uit medewerkers van zorg-, welzijns- en kennisinstellingen.
Op basis van deze inzichten zijn focusgroepen georganiseerd met studenten, docenten en vertegenwoordigers uit het werkveld. Het gesprek met hen richtte zich op de toekomst: wat is er nodig om technologie écht in gebruik te nemen?
Uit de interviews met de praktijk kwam naar voren dat technologie meestal wel aanwezig is, maar niet altijd zichtbaar of toegankelijk. Medewerkers weten soms niet waar apparaten liggen of wie verantwoordelijk is voor onderhoud. Ook speelt de werkcultuur een rol: als collega’s technologie niet gebruiken, is de drempel om ermee te starten hoog. Bovendien bleek dat studenten in hun stages vaak geen actieve rol oppakken met betrekking tot het inzetten van technologie. Terwijl wanneer zij dat wél doen, dit wordt gevoeld als een positieve bijdrage van studenten.
De bijeenkomsten met de TZA leverden vooral bevestiging van de opgehaalde resultaten uit de interviews met de praktijk. Bovendien benoemden de TZA-leden het belang van de voorbeeldrol van zorgmedewerkers richting studenten. Daarnaast werd het toekomstperspectief van zorg en welzijn besproken en kwamen obstakels aan bod waarom technologie niet ingezet wordt. De wens is vooral dat studenten hierin een actieve rol spelen net als het belang dat begeleiders hier ook regelmatig aandacht aan besteden in het begeleidingsproces.
Een belangrijke uitkomst van de focusgroepen was dat een actieve inbreng van studenten een belangrijk deel van de oplossing is. Hiervoor hebben zij wel de juiste toerusting en ondersteuning nodig.
Studenten uit de focusgroep gaven aan dat zij op veel plekken nog niet kritisch durven te zijn en meegaan in de cultuur van de afdeling. Zij zijn zich voortdurend bewust van hun rol van stagiaire en durven vanuit die rol nog geen kritische vragen te stellen uit angst voor een negatieve beoordeling. Zo stelde een student in een focusgroep: “Ben ik degene op een stageplek die tegen mensen met veel ervaring moet gaan zeggen dat het anders moet...? Stel je voor, je geeft iets aan en je wordt daar al in geremd. Dan ga ik daarna niet verder.”
Toch zagen de professionals uit de praktijk ook kansen. Studenten brengen frisse energie en wanneer zij met een schoolopdracht bezig waren rondom zorgtechnologie dan pakken studenten die rol van kartrekker makkelijk op. Een voorwaarde hiervoor is wel dat zij zich veilig voelen op de afdeling en goed begeleid worden.
'Het is goed dat de school opdrachten geeft over zorgtechnologie'
Begeleiders zouden zich meer bewust kunnen zijn van hun voorbeeld als rolmodel. Dan kunnen ze helpen om technologie opnieuw onder de aandacht te brengen. Wanneer studenten met een schoolopdracht met betrekking tot zorgtechnologie aan de slag gaan, geeft dat op de afdeling een goede aanleiding om hier zelf ook in verder te gaan. “Het is goed dat de school opdrachten geeft over zorgtechnologie”, stelt een geïnterviewde medewerker, “want daardoor is het binnen onze locatie afgelopen jaar echt twee keer goed ter sprake gekomen.”
Hier wordt ook een belangrijke rol voor de school geschetst. De school is een plaats waar studenten kennis moeten maken met technologie, er veilig mee kunnen oefenen, en leren hoe zij de inzet van technologie bespreekbaar kunnen maken. Dat vormt een mooie basis om er vervolgens in de praktijk mee aan de slag te gaan via verplichte stageopdrachten. Dit heeft een voordeel van twee kanten: de student leert ermee te werken en de begeleiders voelen zich aangesproken om mee te denken.
In de lessen van de opleidingen krijgen studenten geleerd dat binnen de zorg steeds meer gebruik wordt gemaakt van zorgtechnologie en welke mogelijkheden er allemaal zijn. Er vaardig mee werken: dat leren studenten vooral in de praktijk. Wanneer zij kiezen voor het keuzedeel Zorginnovatie en Technologie leren zij bovendien hoe ze collega’s kunnen meenemen in het gebruik ervan. In dit keuzedeel worden zij opgeleid tot kartrekkers: professionals die signaleren, motiveren en verbinden. Een medewerker van een zorginstelling hierover: “Als je de inzet van zorgtechnologie in je opleiding al meekrijgt, dan kun je het gelijk gebruiken en zie je dat ook al terug.”
Het onderzoek laat zien dat onderwijsinstellingen een belangrijke rol spelen in het toekomstbestendig opleiden van zorg- en welzijnsprofessionals. Dit doen we door studenten passende praktijkopdrachten te geven tijdens de stage en ze te stimuleren als kartrekker technologie te functioneren. Niet alleen door hen te leren werken met technologie, maar ook door hen te leren om kritische vragen te stellen en hoe ze anderen daarin kunnen meenemen. Samenwerken tussen zorg- en kennisinstellingen kan hier een positieve bijdrage aan leveren.
Dit onderzoek geeft een duidelijk antwoord op de centrale vraag: mbo-studenten kunnen daadwerkelijk bijdragen aan het benutten van zorgtechnologie die nu ongebruikt blijft. Hun rol is waardevol, maar vraagt om twee voorwaarden: een stevige basis vanuit de opleiding én een praktijkomgeving waarin zij zich veilig voelen om kritisch te zijn en te mogen falen, en waar ze worden gestimuleerd om te experimenteren met zorgtechnologie. Alleen door die ruimte te bieden, maken we van studenten niet alleen gebruikers, maar ook aanjagers van innovatie in de zorg.
Wat dit onderzoek vooral duidelijk maakt: de kat komt pas uit de kast als iemand de deur opent. En die iemand? Dat zou zomaar een mbo-student kunnen zijn.