COPD-pilot zorg-op-afstand platform moet heropname voorkomen
Om onderstaande en alle andere premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
U kunt nog {free_articles_left} premium artikel gratis lezen. Om meer premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
HP Enterprise gaat de derde fase in met zijn health platform Telemedicine, waarmee diverse vormen van zorg op afstand wordt geboden. Centraal in de volgende fase staat begeleiding van patiënten met structurele aandoeningen. Het doel: voorkomen dat mensen door het terugglijden in verkeerde leefpatronen en afnemende medicijntrouw opnieuw in een ziekenhuis of specialistische instelling terecht komen. Een pilot met COPD-patiënten wordt nu voorbereid in samenwerking met het Limburgse Ciro.
Zorg-op-afstand is één van de nieuwe zorgconcepten waarmee de gezondheidszorg moet groeien van sick care naar health care. Het gaat steeds meer om het voorkomen dat mensen ziek of zieker worden, of het nu gaat om tijdelijke ziektes of structurele aandoeningen zoals diabetes, zo stelt Sebastiaan Alves, actief in Business Development Healthcare bij Hewlett Packard Enterprise.
Zorg-op-afstand, locatieonafhankelijk leveren van zorg, ontlast zorginstellingen, kan 24/7 zorg en monitoring eenvoudiger maken en preventieve zorg mogelijk maken door continue monitoring en tijdig ingrijpen. Minder druk op zorginstellingen en zorgverleners, die meer tijd krijgen voor meer kwalitatieve zorg, een betere gezondheid voor patiënten. Meer efficiency en lagere kosten zijn ook meer dan prettige bijkomstigheden.
HPE’s technologische expertise leidde onder meer tot de ontwikkeling van het health platform Telemedicine, waarmee het zorgconcepten wil ondersteunen die zorg-op-afstand integreren. Het platform is overigens nog altijd in ontwikkeling, benadrukt Alves. In een eerder artikel benadrukte Alves al dat Telemedicine veel meer is dan een videoverbinding.
Met de dienst krijgen artsen in levensbedreigende situaties realtime toegang tot alle vitale data, gemeten in de ambulance. Ook kan een ambulanceverpleegkundige al tijdens de rit advies inwinnen of starten met de overdracht van informatie. Zo krijgt de patiënt betere, efficiëntere en snellere zorg.
Co-creatie is dan ook een must, waarbij elke partij zijn expertise op tafel legt. “Het gaat over communiceren van vitale data en overleg met een specialist in een zo’n vroeg mogelijk stadium. Ambulanceverpleegkundigen werken volgens een strikt protocol en mogen niet alle medische handelingen verrichten. Door de mogelijkheid om nu medisch specialisten eerder in het proces te betrekken kunnen mensenlevens worden gered. In dit geval werkten we samen met zorginstellingen, zorgverzekeraars, patiëntverenigingen en de overheid.”
Ruwweg zijn er drie fases in de doorontwikkeling van Telemedicine:
Voor de pilot met COPD-patiënten werkt HPE samen met Ciro, een in Limburg gevestigd expertisecentrum voor chronisch longfalen. Alves: “Limburg had in het verleden relatief veel COPD-patiënten, zoals met longemfyseem, als gevolg van de inmiddels afgesloten periode van de mijnbouw. Naar Ciro worden inmiddels landelijk de zwaardere COPD-gevallen gestuurd voor een vijf- tot zesweekse behandeling.”
De pilot heeft twee doelen, stelt Alves: – Te bepalen of deze nieuwe behandelmethode kan bijdragen aan efficiëntere zorgverlening ten opzichte van de huidige processen – Het eerder detecteren van een verslechtering van de toestand van een COPD-patiënt om het hoge percentage heropname terug te dringen, een gevolg van minder therapie- en medicatietrouw en terugval in oude leefpatronen
Bij traditionele methoden om te voorkomen dat een patiënt een terugval beleeft, is er sprake van periodieke monitoring, onder meer via afspraken bij het Ciro. Dat is inspannend voor de patiënt en kost alle partijen veel tijd.
In de pilot worden patiënten thuis gevolgd na afronding van de opnameperiode, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van een wearable in de vorm van een armband, die lichaamsfuncties monitort en doorgeeft via een mobiele app. Thuis gebeurt dat via een speciaal kastje, buitenshuis via de mobiele telefoon. De uitkomsten worden geïntegreerd in de zorgprocessen, zodat een behandeling ook tussentijds kan worden aangepast.
De app is meteen een interface tussen de patiënt en de zorgverleners. In eerste instantie is dat een virtuele zorgassistent die helpt bij zaken zoals medicatietrouw en het volgen van bepaalde leefpatronen. Daarbij kan het gaan om iemand die op een gegeven moment toch weer een sigaretje opsteekt, of die bepaalde oefeningen minder vaak doet. Wanneer er bepaalde vooraf ingestelde kritieke grenzen overschreden worden, zal een fysieke zorgverlener ingeschakeld worden. Maar die tweedelijnszorg vindt alleen plaats als het echt nodig is, in plaats van vooraf periodiek ingepland.
Er is ook rekening mee gehouden dat de digitale kennis van mensen uiteenlopend is. Iemand hoeft de armband alleen maar om te doen, meer niet. De interface maakt volgens Alves veel gebruik van symbolen, zodat input van een patiënt zo gebruiksvriendelijk mogelijk kan.
“Voor communicatie met de patiënt wordt een app gebruikt, onder andere voor het stellen van vragen hoe de patiënt zich voelt, of de medicatie tijdig is ingenomen. Daarnaast is het in de pilot ook zo dat elke patiënt vooraf getraind wordt in het gebruik van de wearable en de app.”
In totaal nemen 30 patiënten deel aan de pilot. Zij worden allemaal gevolgd op basis van een uniek individueel algoritme in plaats van een algemeen algoritme. Het doel hiervan is om de persoonlijke behandeling van elke deelnemer te vergroten en daarmee de kans van slagen van de begeleiding.
“Bloeddruk en hartslag kunnen bij twee patiënten even hoog zijn, maar vanwege een andere lichamelijke gesteldheid toch een heel ander signaal afgeven,” vertelt Alves. “Zo wordt voorkomen dat een zorgverlener denkt in te moeten grijpen wanneer er niets aan de hand is, of andersom.”
Het gaat in de pilot ook om het vergroten van de rol van de patiënt zelf, benadrukt Alves. “Zelfmanagement en bewustwording zijn belangrijke elementen. De therapie is interactief. Dat moet onder meer gebeuren door regelmatig de resultaten van monitoring te delen en het geven van tips en adviezen op bepaalde momenten. Het moet ook vooral laagdrempelig zijn. Daarnaast leert het platform dankzij de individuele algoritmes om een persoon beter te ondersteunen in de loop van de tijd.”
In Engeland voert HPE een vergelijkbare pilot uit als in Limburg, maar dan met diabetespatiënten. Ook hier wordt een mix van technologieën ingezet: wearables, big data, data analytics en mobility. Het einddoel is echter de integratie van technologie in zorgprocessen. “We zijn het hobbyisme op dit gebied nu voorbij. De uitdaging ligt de komende jaren niet op het inzetten van technologie in de gezondheidszorg, maar op vernieuwing van processen, gedrag en cultuur. Technologie is wel belangrijk, maar kan pas goed ondersteunen als de zorg zelf mee verandert.”