‘Onvoldoende budget voor groei van e-health diensten’
Om onderstaande en alle andere premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
U kunt nog {free_articles_left} premium artikel gratis lezen. Om meer premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
Professor dr. Leonard Witkamp, bijzonder hoogleraar Telemedicine aan de Faculteit der Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam (AMC-UvA) en ondernemer in de zorg, heeft uitgesproken ideeën over e-health: met name over de noodzakelijkheid van een toereikend budget om innovaties in de zorg op te schalen. Die opschaling blijft uit zolang het nodige budget uitblijft.
“Betaal je voor verrichtingen, dan krijg je verrichtingen. Betaal je voor gezondheid, dan krijg je gezondheid. Betaal je voor innovatie, dan krijg je innovatie. Dat zijn basale economische principes, waarvan we in de zorg gebruik moeten maken. E-health wordt massaal omarmd. Het is nu tijd om afspraken te maken over het opschalen van e-healthdiensten, die hun nut ruimschoots hebben bewezen.”
“Zorgverleners hebben innovatieve ICT-programma’s grootschalig omarmd. Meer dan 11.000 huisartsen, medisch specialisten en paramedici leveren deze diensten aan meer dan 250.000 patiënten. Dit zijn diensten die op dit moment vooral worden ingezet bij veelvoorkomende zorgprocessen met een sterk routinematig karakter. Zorgverzekeraars ondersteunen dit en zijn op zich bereid om verder op te schalen. Alleen lijken ze beducht voor veranderingen die een wezenlijke impact hebben op de bestaande zorgorganisatie.”
“Drie aansprekende praktijkvoorbeelden illustreren het succes van e-health en hun budgettaire afhankelijkheid voor verdere opschaling.”
Dat scheelt waardevolle tijd die de patiënt niet in onzekerheid hoeft door te brengen. Bovendien blijkt dat 75% van deze patiënten niet naar het ziekenhuis hoeft te worden doorverwezen. Door deze selectie wordt de zorg niet alleen sneller en beter, maar ook goedkoper en eenvoudiger. Bovendien levert dit een leercurve op voor huisartsen, die daardoor steeds beter gaan verwijzen. Een actieve huisarts blijkt na drie jaar 60% minder teledermatologieconsulten te verrichten dan in het eerste jaar. Bovendien verwijst hij dan 30% minder patiënten naar de tweede lijn dan collega’s die geen teledermatologie doen. En dat levert een forse kostenbesparing op.
Geen wonder dus dat patiënten en huisartsen zouden kiezen voor een teleconsult als ze die keuze krijgen. Maar sinds de invoering van budgetplafonds in 2012 wordt dit niet langer voor iedereen vergoed. Dus stokt sindsdien de groei van teleconsultatie, ook al gaat het om innovatieve, patiëntvriendelijkere en efficiëntere zorg die de conventionele zorg vervangt. Budgetten zijn hier leidend gebleken bij de geboden zorgverlening, meer dan de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid.
Deze werkwijze is inmiddels ook mogelijk bij de screening van andere oogafwijkingen, zoals glaucoom, cataract en maculadegeneratie. In totaal gaat het voor deze indicaties in één regio binnen een jaar al om 15.000 patiënten die via teleconsult worden gescreend bij de optometrist. Tel uit je winst. Uiteindelijk zorgt dit dus voor een enorme verbetering van het zorgproces.
“De aantoonbare voordelen van deze en andere e-healthdiensten zijn zo overtuigend, dat de vraag zou moeten worden gesteld of het ethisch en maatschappelijk nog wel te rechtvaardigen is om mensen deze vormen van zorg te onthouden. Ik zie het als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle partijen, zorgaanbieders, beroepsgroepen, verzekeraars, overheid én patiënten, die het belang van patiënten voor ogen hebben om dit mogelijk te maken. Daarom zou de focus nu moeten worden gelegd op opschaling om deze vorm van dienstverlening toegankelijk te maken voor een bredere groep patiënten. Opschaling van innovaties naar efficiëntere en betere zorgdiensten zou bovendien ruimte scheppen voor nieuwe innovaties, die de zorg nog efficiënter en beter maken. Zo komt een vliegwiel op gang dat vanzelf leidt tot substitutie van zorg.”
“Onderschat ook niet de rol van de patiënt/klant in de toekomst. Die wordt beter geïnformeerd en weet beter welke zorg mogelijk is. Hij of zij gaat druk zetten op de zorgverlener. Dat zien we in de praktijk gebeuren. Of het nu gaat om teledermatologie, screening van diabetes door de optometrist of ggz blended care. Als het eenmaal beschikbaar is en een bewezen verbetering biedt voor hun situatie, dan willen mensen het.”
“Dat verwondert en verbijst mij soms zelfs al tien jaar. Zorgverzekeraars hebben er op dit moment blijkbaar nog onvoldoende belang bij, terwijl zij wel de regiefunctie in handen hebben. Grote zorginstellingen spelen hierbij ook een rol.”
“Kijk, het is eigenlijk heel eenvoudig. De overheid, zorgverzekeraars en zorginstellingen denken nog steeds in budgetten. Stel, je hebt een bewezen innovatieve oplossing. Die oplossing wil je als nieuwe aanbieder naar de markt brengen. Dit kost twee miljoen euro, maar bespaart uiteindelijk vier miljoen euro aan ziekenhuiskosten. In de huidige situatie zegt de zorgverzekeraar nog te vaak: ‘Je mag het wel doen, maar dan moet jij ervoor zorgen dat dat ziekenhuis accepteert dat het vier miljoen euro minder budget krijgt.’ Dat komt op mij over als een nogal onredelijke eis.”
“Maar ik begrijp hun probleem wel. En ik moet zeggen dat genoemde partijen, overheid, zorgverzekeraars en zorginstellingen, duidelijk de meerwaarde van e-health onderkennen, alsook het probleem van budgetverschuiving. Ik zie bij deze partijen meer en meer de wil om hierin te acteren. Dat juich ik echt toe.”
“Zorgverzekeraars hebben in mijn optiek de taak om te staan voor het belang van hun verzekerden en de keuze voor e-healthdienstverlening mogelijk te maken. Het lijkt mij duidelijk dat de zorgverzekeraar hier de regie in handen zou moeten nemen en keuzes moet maken die desnoods ten koste gaan van conventionele, duurdere zorg.”
“Het wordt heel helder als je het vertaalt naar geneesmiddelen. Ik heb het niet over een medicijn dat 100.000 euro kost per patiënt en dat in 1 op de 10 gevallen effectief is. Ik heb het over het niet vergoeden van een ‘medicijn’ dat 25 euro kost en dat een ‘medicijn’ vervangt dat 100 euro kost. Dat bovendien effectiever en gebruiksvriendelijker is, en minder bijwerkingen heeft.”
“Eerlijk gezegd maakt het mij niet uit uit welke hoek de verandering komt. Ik denk dat het uiteindelijk van de klant gaat komen. Het verschil echter tussen de aanschaf van een iPhone en het toepassen van teledermatologie is dat het voordeel van een iPhone meteen duidelijk is voor een gebruiker. Een potentiële klant van teledermatologie gaat eerst langs bij zijn dokter. En als die twijfelt, dan gaat het niet door. De patiënt/burger kan zelf pas een goede keuze maken als hij goed geïnformeerd is. Daar gaat het om. Zorgverzekeraars, overheid en zorgaanbieders kunnen hierin een belangrijke rol spelen.”
“Dat kan onmiddellijk. In mijn stellige overtuiging kan 25 procent van de verwijzingen naar de tweede lijn worden voorkomen door intelligent internet. Daarbovenop kunnen we ook de ‘handshake’-consulten in de tweede lijn fors terugdringen of uit laten voeren door paramedici. Dat is nu al mogelijk. Daar hoeven ze op zich geen hightech dingen voor te verzinnen. Alleen is dit zodanig ingrijpend voor ziekenhuizen dat het verstandig is om dit geleidelijk door te voeren. Mits goed doorgevoerd, zou het op zich een grote besparing kunnen opleveren voor zorgverzekeraars. Zoveel zelfs, dat daarmee het eigen risico flink omlaag zou kunnen.”
“Heel simpel. Twee dingen om te versnellen: allereerst regie, of noem het leiderschap. Die regie dient te worden genomen door zorgverzekeraars en overheid, zoals ze dat in Scandinavië doen. Het gevaar dat dan op de loer ligt is bureaucratie. En natuurlijk ten tweede mijn mantra: budgetten vrijmaken, zo nodig door verschuiving, voor innovatieve diensten. Uiteindelijk zal de geïnformeerde patiënt zelf de regie nemen.”
“Het is aan de overheid, zorgverzekeraars en veldpartijen om daar werk van te maken. Zo zouden de overheid en zorgverzekeraars er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om de jaarlijkse 1,5% budgettaire groeiruimte in de tweede lijn uitsluitend te benutten voor de vergoeding van e-healthdiensten die leiden tot substitutie naar eerstelijnszorg. Hiermee zouden miljoenen beschikbaar komen die een vliegwiel in gang zetten dat vanzelf leidt tot toenemende substitutie.”
“Ja en nee. Ik ben het met je eens dat de zorg verplaatst moet worden, het maakt op zich niet uit of dit binnen of buiten het ziekenhuis gebeurt. Maar het is de vraag of ziekenhuizen alléén genoeg vaart kunnen maken. Het ziekenhuis is in mijn optiek nog te vaak de ‘missing link’. De 100 ziekenhuizen in Nederland vertegenwoordigen 90% van de markt in financiële zin. Maar vergelijk het ziekenhuis nu eens met het Marriott en innovator X met Airbnb. Het zijn dezelfde soort instellingen, alleen heeft X geen eigen assets en vindt de zorg bij de patiënt zelf plaats. En X doet dit voor een fractie van de kosten. Dit soort innovatieve processen zie ik bij ziekenhuizen nog niet gebeuren. Het is de vraag of je dit alleen van grote instellingen kunt verwachten, of dat je juist nieuwe toetreders nodig hebt.”
“Nee, ik ga uit van het model dat een Airbnb concurreert met het Marriott. Jij zegt, laat ze gaan samenwerken of laat het ziekenhuis zijn eigen Airbnb oprichten. Ik zou graag een ziekenhuis vinden dat met mij wil samenwerken. Zoals gezegd, ik vraag me af of een ziekenhuis met zijn eigen vastgoed, personeel enzovoorts, in staat is om dat vanuit de eigen organisatie te herorganiseren. Innoveren binnen een gevestigde, grote organisatie lukt in de praktijk meestal niet goed. Maar ze kunnen natuurlijk wel samenwerken met nieuwe zorgaanbieders.”
“Kijk, het ziekenhuis zoals we dat nu kennen, ziet er over 20 jaar waarschijnlijk heel anders uit als daar geen routineactiviteiten meer hoeven te worden uitgevoerd. Want 25% van de patiënten hoeft dan niet meer naar het ziekenhuis toe en ook 25% van de polikliniekbezoeken komt te vervallen. Voor de resterende 50% polikliniekbezoeken is in een minderheid van de gevallen een ziekenhuisinfrastructuur nodig. Dat kan gewoon in een ruimte in de woonwijk. Ook de diagnostiek kan buiten het ziekenhuis goedkoper en beter georganiseerd worden. De beddenfunctie kan naar een hotelketen als Van der Valk. Wat je dus overhoudt, is een operatiecomplex. Ook daar zie je een opkomst van non-invasieve methodes. Uiteraard zijn hierin verschillende mengvormen denkbaar.”
“E-health zal het ziekenhuizen uiteindelijk mogelijk maken om zich te beperken tot hoogwaardige gespecialiseerde zorg. De meer routinematige zorg zal in tal van perifere centra in de woonwijk dichtbij de patiënt geleverd worden door paramedici, mantelzorgers en de patiënt zelf, onder regie en supervisie van de huisarts en de medisch specialist op afstand. En dat tegen een fractie van de huidige kosten.”
“Dat denk ik niet. Want er zijn nog te veel stoplichten die op rood staan. Ik heb eerder al eens gepleit voor een stappenplan voor het contracteren van innovatieve zorg, waaronder e-health. (1).”
“Als er voldoende budget wordt vrijgemaakt, leidt het stappenplan tot een veilige en geleidelijke invoering, c.q. opschaling van e-health. Belangrijk daarbij is dat dit budget open staat voor openbare inschrijving van e-healthdiensten. Die worden dan beoordeeld en toegelaten door een centraal college. Eenmaal toegelaten diensten moeten door zorgverzekeraars worden gebudgetteerd en vergoed.”
“Dat vind ik interessant. Kijk als voorbeeld eens naar teleoogheelkunde. Vijftig procent van de patiënten kan naar de optometrist onder supervisie van oogartsen. Je kunt het geld dus anders inzetten. Geef een huisarts 10 euro per ingeschreven patiënt en richt goede prestatie-indicatoren in. Dan ga je over naar population-based management en betaal je voor gezondheid. En haal je meteen ook die onbedoelde perverse prikkel van vergoedingen voor verrichtingen uit de zorg.”
“Natuurlijk is het belangrijk om de oogarts te compenseren. Dat kan ruimschoots door uit de gerealiseerde besparing de oogarts meer dan nu te betalen voor zorg waar deze echt goed in is en voor is opgeleid: ernstige patiënten, moeilijke gevallen en sociaal zwakkere patiënten, slechtnieuwsgesprekken maar ook kwaliteitsbeleid, supervisie en innovatie van het vak.”
“Ik wil afsluiten met een advies: maak pre-concurrentiële afspraken over opschaling van innovatie. In de ggz is dit goed gelukt. En betrek in een raamovereenkomst patiënten, zorgverleners, zorginstellingen en overheid. Dan gaat het lukken. Er is namelijk een lineair verband tussen budgettering en opschaling van innovatie. Het gaat er niet om hoe, maar dát het gaat gebeuren. Laten we de deuren naar de toekomst eens open zetten en kijk wat er allemaal mogelijk is.”