De behoefte aan robots in de langdurige zorg groeit niet alleen door de vergrijzing en personeelstekorten, maar ook door de toenemende wens om langer thuis te wonen. Helaas sluiten sociale zorgrobots nog niet altijd goed aan bij de behoeften van ouderen. Volgens onderzoeker Bob Hofstede is personalisatie de sleutel tot bredere acceptatie. Om dat goed te onderzoeken, verliet hij zijn bureau en ging hij observeren in de praktijk, zo vertelt hij in de komende editie van ICT&health.
Bij Vilans heeft Hofstede meerdere onderzoeken en verkenningen afgerond over zorgrobots. Hieruit blijkt een duidelijk verschil tussen wat de robot kan en wat de eindgebruiker verwacht. “Ouderen verwachten met een zorgrobot hele gesprekken te kunnen voeren,” legt Hofstede uit. “Om die reden is het gebruik in de praktijk waarschijnlijk nog minder groot dan het zou kunnen zijn”.
In de langdurige zorg wordt al langer ervaring opgedaan met sociale robots, zowel intramuraal als in de thuissituatie. Hofstede onderscheidt drie hoofdtypen:
- De digitale zorgassistent: een sociale robot die ondersteuning biedt in de dagstructuur en gezelschap.
- De knuffelrobot, vaak in de vorm van een dier zoals een zeehond, hond of kat.
- De stimulerings- en revalidatierobots, die cliënten ondersteunen bij cognitieve oefeningen of fysieke bewegingen. In Nederland nog weinig gebruikt.
Verwachtingen versus werkelijkheid
Bij ontwikkelingen als Siri, Google Home of ChatGPT kan al meer, dus het is begrijpelijk dat mensen dit ook van sociale robots verwachten, stelt Hofstede. “Zover is het echter nog niet, al wordt inmiddels wel gewerkt aan integratie van grote taalmodellen als ChatGPT.”
Voor zijn promotieonderzoek observeerde Hofstede hoe mensen daadwerkelijk omgaan met verschillende typen robots en wat daarin wel en niet werkt. Hij keek naar de setting (thuis of verpleeghuis), het type robot, persoonlijke voorkeuren, en de invloed van deze factoren op de interactie.
“Je ziet de verschillen tussen het leven intra- en extramuraal terug in de interactie,” vertelt hij. “Intramuraal leeft iemand op een zorggroep, wat voor veel afleiding door achtergrondgeluiden zorgt.”
Een pratende zorgassistent (robot) verliest het daardoor vaak van de omgevingsprikkels. In die setting blijkt een knuffelrobot effectiever. Hofstede: “Die maakt oogcontact en soms kleine bewegingen of geluidjes. Dat houdt de aandacht vast”. Thuis, waar minder afleiding is, werkt een sprekende zorgassistent juist beter. Dat vraagt volgens Hofstede om bewustere keuzes in implementatie én ontwerp.
Huidige mogelijkheden
Hoewel nog veel ontwikkelwerk nodig is, kunnen zorgorganisaties vandaag al stappen zetten. Personalisatie begint vaak in de samenwerking tussen zorgmedewerker en cliënt. “Denk aan het kiezen van een mannen- of vrouwenstem, of het volume. En stem de lengte van berichten af op het cognitief niveau van de cliënt,” geeft Hofstede als voorbeelden. Ook kan het samen met de cliënt instellen van meldingen, herhalingen en toon van communicatie veel verschil maken.
Houd ook rekening met de context, benadrukt Hofstede. In drukke intramurale settings kan het helpen om interacties met de robot op de eigen kamer te laten plaatsvinden of op andere manieren afleiding te beperken. En: betrek cliënten altijd actief bij de keuze voor wel of geen robot, niet elk type past bij iedereen.
Vervolgstap
In het kader van zijn promotieonderzoek richt Hofstede zich het komende jaar op ouderen in verschillende zorgcontexten. “De behoeften van ouderen met een migratieachtergrond staan hierbij centraal: het doel is dat zorgrobots net zo goed op culturele verschillen leren inspelen als zorgmedewerkers dat doen.” Hofstede wil deze personalisatie uiteindelijk in de praktijk testen met ouderen, om te onderzoeken hoe dit landt en in hoeverre het de acceptatie daadwerkelijk vergroot.
Lees het hele artikel in editie 1 van ICT&health 1, 2026, die op 20 februari verschijnt.