Meer dan een miljard mensen wereldwijd leven met één of meerdere psychische aandoeningen die hun stemming, denken en gedrag beïnvloeden. Deze aandoeningen variëren sterk in ernst, maar hebben vrijwel altijd impact op het dagelijks functioneren. Het beter begrijpen van de biologische basis van deze stoornissen is cruciaal om diagnostiek te verbeteren en behandelingen meer te personaliseren.
Een recente studie van onderzoekers van Universiteitsziekenhuis van Kopenhagen, samen met de Universiteit van Kopenhagen, laat zien dat routinematig verzamelde MRI-scans uit de klinische praktijk waardevolle inzichten kunnen opleveren. De resultaten, gepubliceerd in Molecular Psychiatry, bevestigen dat verschillende psychische aandoeningen gepaard gaan met vergelijkbare structurele veranderingen in de hersenen.
MRI-scans als databron
Tot nu toe was hersenonderzoek in de psychiatrie vaak gebaseerd op relatief kleine, zorgvuldig geselecteerde onderzoeksgroepen. Initiatieven zoals het internationale ENIGMA Consortium hebben deze datasets weliswaar gebundeld, maar bleven afhankelijk van samengevatte gegevens uit studies met uiteenlopende methoden en patiëntgroepen.
De Deense onderzoekers kozen een andere aanpak: zij analyseerden duizenden MRI-scans die in de dagelijkse zorgpraktijk zijn gemaakt. In Denemarken worden deze scans gekoppeld aan elektronische patiëntendossiers, waardoor een unieke combinatie ontstaat van beeldvorming en klinische gegevens.
Hoewel deze ‘real-world’ data vaak minder gestandaardiseerd zijn dan onderzoeksdata, blijken ze toch geschikt om relevante hersenverschillen op te sporen. Dat opent de deur naar grootschaliger onderzoek dat dichter bij de klinische realiteit staat.
Analyse van duizenden patiënten
De onderzoekers analyseerden alle hersenscans die in 2019 in Denemarken zijn gemaakt. Door deze te koppelen aan medische dossiers konden zij patiënten identificeren met een recente diagnose van een psychische aandoening, evenals een controlegroep zonder psychiatrische of neurologische aandoeningen.
In totaal werden gegevens van meer dan 23.000 patiënten bekeken, waarvan uiteindelijk ongeveer 4.800 voldeden aan de inclusiecriteria. De data werden gepseudonimiseerd verwerkt om de privacy van patiënten te waarborgen. Met behulp van geavanceerde analysetools konden de onderzoekers onder meer de dikte van de hersenschors (cortex) en de volumes van verschillende hersengebieden meten. Daarbij werd rekening gehouden met factoren zoals leeftijd, geslacht en gebruikte MRI-scanners.
Hersenafwijkingen bevestigd
De studie bevestigt eerdere bevindingen uit decennia van hersenonderzoek. Patiënten met ernstige psychische aandoeningen vertonen gemiddeld:
- een kleinere thalamus
- een kleinere amygdala
- vergrote hersenventrikels (met vocht gevulde holtes)
- een dunnere hersenschors
Wat opvalt, is dat deze patronen nu ook zichtbaar zijn in routinematig verzamelde klinische data. Dit benadrukt dat MRI-scans uit de dagelijkse zorg bruikbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek, mits ze op grote schaal worden geanalyseerd. Daarnaast biedt de koppeling met patiëntendossiers nieuwe mogelijkheden. Onderzoekers kunnen bijvoorbeeld nagaan hoe medicatiegebruik, comorbiditeit of ziektestadium samenhangen met veranderingen in de hersenen. Vragen die in traditionele studies moeilijk te beantwoorden zijn.
Basis voor nieuwe toepassingen
De combinatie van grootschalige MRI-data en klinische informatie kan de basis vormen voor nieuwe toepassingen, zoals AI-gestuurde diagnostiek. Door patronen in hersenscans te herkennen, zouden algoritmen in de toekomst kunnen helpen bij het voorspellen of classificeren van psychische aandoeningen.
Belangrijker nog is dat deze aanpak kan bijdragen aan ‘precision psychiatry’: het indelen van patiënten in biologisch onderbouwde subgroepen. Dit maakt gerichtere behandelingen mogelijk en kan uiteindelijk leiden tot betere uitkomsten voor patiënten. Volgens de onderzoekers is klinische data mogelijk zelfs waardevoller dan traditionele onderzoeksdata, omdat deze een realistischer beeld geven van de patiëntpopulatie in de dagelijkse praktijk.
Breder onderzoek
Hoewel de huidige studie zich beperkt tot data uit één jaar, beschikt Denemarken over een veel grotere historische database. Toekomstig onderzoek zal zich richten op longitudinale analyses, waarbij patiënten over langere tijd worden gevolgd.
Dit kan inzicht geven in hoe hersenen veranderen vóór, tijdens en na het ontstaan van een psychische aandoening. Mogelijk kunnen zo ook vroege signalen worden opgespoord, nog voordat symptomen volledig tot uiting komen. Daarnaast willen de onderzoekers hun analyses uitbreiden naar andere aandoeningen, zoals bipolaire stoornis en ADHD, die in deze studie nog ondervertegenwoordigd waren.
De ambitie is helder: het overbruggen van de kloof tussen klinische praktijk en neurobiologisch onderzoek. Daarmee komt het moment dat de diagnostiek en behandeling van psychische aandoeningen niet alleen gebaseerd zijn op symptomen, maar ook op meetbare veranderingen in de hersenen, steed dichterbij.
In 2022 schreven we over principal scientist Marcel Breeuwer die zich bij Philips richtte op geavanceerde toepassingen zoals digitale neurale netwerken en Neuro MRI. Een technologie die ook gebruikmaakt van MRI-scans om hersenactiviteit in kaart te brengen, met als doel psychiatrische aandoeningen beter te begrijpen en behandelen.