Gegevensuitwisseling in de zorg staat of valt met standaarden: afspraken over taal en techniek waar zorgverleners, ICT-leveranciers en beleidsmakers zich aan committeren. Het ontwerpen van zulke standaarden is echter minder eenvoudig dan het lijkt. Ze moeten waarde toevoegen én praktisch implementeerbaar zijn. Landelijke oplossingen bieden, maar ruimte laten voor regionale verschillen. En stabiel zijn, terwijl ze flexibel genoeg blijven voor toekomstige ontwikkelingen.
In zijn promotieonderzoek naar standaardisering van gegevensuitwisseling in de acute zorg onderzoekt Stijn Bruls (promovendus binnen het project Up2Standard aan de Radboud Universiteit) hoe ontwerpers met deze spanningen omgaan. Hij schreef hierover in editie 5, 2025 van ICT&health.
Paradoxen in standaardisatie
In onderzoek naar standaardisatie worden zulke spanningen vaak beschreven als paradoxen: tegengestelde krachten die tegelijk bestaan en met elkaar verbonden zijn.
Een standaard moet stabiliteit bieden, zodat organisaties tijd en middelen kunnen investeren in implementatie. Tegelijk moet diezelfde standaard flexibel blijven om relevant te blijven in een veranderende zorgpraktijk.
De uitdaging ligt daarom niet in het kiezen tussen stabiliteit of flexibiliteit, maar in het vinden van een werkbare balans. Het ontwerpen van standaarden lijkt daarmee op koorddansen.
Van ‘of/of’ naar ‘zowel/als’
In de praktijk kiezen ontwerpers vaak impliciet voor een ‘of/of’-benadering, waarbij één kant van de spanning prioriteit krijgt.
Een standaard kan bijvoorbeeld zo worden ontworpen dat zij aan alle mogelijke informatiebehoeften voldoet, inclusief toekomstige uitzonderingen en complexe scenario’s. Het resultaat is dan een inhoudelijk rijke standaard die in de praktijk nauwelijks te implementeren blijkt. De afstand tot bestaande registraties, IT-systemen en regelgeving is simpelweg te groot. Zulke standaarden blijven steken in een papieren werkelijkheid.
Een alternatief is een ‘zowel/als’-benadering. Ontwerpers zoeken dan naar oplossingen die zowel waarde toevoegen als uitvoerbaar zijn. Zo kan een standaard aansluiten bij bestaande registraties om dubbele administratieve lasten te voorkomen. De informatie-inhoud is dan misschien minder uitgebreid, maar de kans op succesvolle implementatie wordt groter.
Balans in beweging
Die balans is nooit definitief. Nieuwe technologie, veranderende regelgeving of andere ontwikkelingen kunnen de verhoudingen telkens verschuiven. Ontwerpers moeten daarom voortdurend bijsturen.
Het werk aan standaarden is dus nooit af. Wel kunnen ontwerpers steeds beter worden in het herkennen van spanningen en het balanceren tussen verschillende belangen.
Volgens Bruls vraagt succesvolle standaardisering om een houding waarin paradoxen niet worden vermeden, maar juist worden erkend. De opgave is duidelijk: laat de illusie van volledige controle los. Zelfs een goede balans heeft een houdbaarheidsdatum: tot de eerstvolgende verstoring.