We zijn ervan overtuigd dat digitale zorg de zorg van morgen is. We zeggen het in akkoorden, we schrijven het in rapporten, we financieren pilots. En toch is het lang niet vanzelfsprekend… Ik ben mij ervan bewust dat er hele goede voorbeelden zijn van telemonitoring, maar landelijk opschaling is niet aan de orde.
Het is zoeken naar de stand van zaken rondom telemonitoring in Nederland. Gelukkig zijn er onlangs 3 verschillende publicaties geweest die samen een goed beeld schetsen. Het proefschrift van Harm Gijsbers (Implementation and scale up of telemonitoring in the Netherlands, UvA, 2026) evalueert hoe Nederland telemonitoring opschaalde in alle zeven universitaire medische centra. De Monitor Digitale Zorg 2025 van het RIVM meet hoe zorgverleners en zorggebruikers digitale zorg gebruiken en ervaren. De Toekomstvisie Medisch Specialist 2035 geeft aan waar de beroepsgroep zelf naartoe wil. Alvast de samenvatting: er is veel goede wil, er zijn bewezen oplossingen, en toch komt de landelijke doorbraak maar niet.
De kansen zijn er in de praktijk, niet hypothetisch
Telemonitoring is geen belofte meer. Gijsbers laat met cijfers zien wat er in twee jaar mogelijk is. Patiënten met hartritmestoornissen die op afstand werden gemonitord, stegen van 190 naar ruim 5.000. Zwangere vrouwen die thuis werden gevolgd: van 41 naar meer dan 1.100. Vitale functies bewaakt op afstand: van 2.666 naar meer dan 13.000 patiënten. Dit zijn geen proeftuinen, maar opschalingen van telemonitoring door academische ziekenhuizen. Telemonitoring is niet alleen een feestje van de academische huizen, misschien wel ‘juist niet’. De schaal en impact moet grotendeels vanuit de topklinische en algemene ziekenhuizen komen. Samenwerkingen als Santeon laten ook zien dat er aandacht voor is, maar ook dat het niet makkelijk is.
Telemonitoring maakt zorg mogelijk dicht bij huis, vergroot de veiligheid van mensen met chronische aandoeningen, en biedt perspectief op minder arbeidsintensieve zorg mits goed ingericht. De RIVM-monitor voegt een hoopvol signaal toe: 81% van mensen met een chronische ziekte heeft inmiddels toestemming gegeven voor elektronisch delen van gegevens, tegen 56% een jaar eerder. Het vertrouwen in digitale zorg groeit, dat is hoopvol.
De obstakels zijn taai
Gijsbers is eerlijk over wat er niet werkte. De grootste complexiteit in het Citrien-programma bleek niet inhoudelijk maar organisatorisch. Wie is verantwoordelijk als de pilot stopt, wie betaalt de verpleegkundige die de data interpreteert, wie onderhoudt de verbinding met de huisarts? Zolang die vragen onbeantwoord blijven, hangt telemonitoring af van projectfinanciering en gedreven individuen, dat maakt het erg kwetsbaar.
De financiering was het tweede struikelblok. Het Citrien-programma moest actief lobbyen bij de Nederlandse Zorgautoriteit om überhaupt een prestatiebeschrijving voor remote monitoring te krijgen. Zonder beschrijving geen vergoeding, zonder vergoeding geen duurzame implementatie. De RIVM-monitor bevestigt het effect, telemonitoring bij artsen laat door de jaren heen beperkte groei zien. Enthousiasme is er genoeg. De randvoorwaarden zijn er onvoldoende ingevuld.
Enthousiasme of besef dat digitale zorg nodig is leidt dan ook niet automatisch tot gebruik. Gijsbers toont aan dat zelfs binnen één nationaal programma, met alle zeven UMC's aan tafel, de variatie groot bleef. Wat in het ene ziekenhuis soepel liep, strandde elders op (IT-)systemen, inkoopprocedures of cultuurverschillen. Telemonitoring is geen product dat je uitrolt, het is een verandering die je organiseert, steeds opnieuw, per afdeling of zelfs de context van het zorgpad.
En dan is er de belofte van werkdrukverlichting die nog niet is ingelost. Minder controles, betere triage, meer regie voor de patiënt: de argumenten zijn sterk. Maar de RIVM-monitor laat zien dat zorgverleners overwegend neutraal zijn over de impact van digitale zorg op werkdruk en werkplezier. Dat is niet verbazingwekkend, onderzoek toont aan dat implementatie in de beginperiode juist samenhangt met een werkdruktoename. De belofte is niet vals, maar ze wordt pas ingelost als telemonitoring goed is ingebed in werkprocessen. Voor die verandering en borging zijn er aanzienlijke investeringen nodig, in tijd en geld.
Het risico van ongelijkheid groeit
Er is een risico dat in discussies over digitale zorg te weinig wordt benoemd, terwijl het wel een fundamentele is. In de RIVM-monitor is het terug te lezen, afhankelijk van de toepassing, gebruiken ouderen en mensen met een lager opleidingsniveau 20 tot 45 procent minder vaak digitale zorg dan mensen met hbo of wo. Bij digitale schriftelijke communicatie neemt het verschil zelfs toe.
Dat is zorgwekkend, juist omdat telemonitoring het meeste verschil kan maken voor mensen met chronische aandoeningen die ver van een ziekenhuis wonen. Er is ook een hoopvol signaal, ouderen met een chronische ziekte meten en delen hun gezondheidswaarden juist vaker dan jongeren. Toepassingen waarbij meten grotendeels automatisch gaat, zoals glucosesensoren of smartwatches, lijken drempels te overbruggen.
Wat er nu moet veranderen
Gijsbers doet concrete aanbevelingen, en de Federatie Medisch Specialisten versterkt die met haar Toekomstvisie 2035. Het zijn niet alleen onderzoekers die constateren dat het anders kan (of moet?), het is de beroepsgroep zelf. De FMS benoemt de opschaling van bewezen digitale innovaties expliciet als opgave.
De eerste verandering is bekostiging die past bij de werkelijkheid. Telemonitoring kan sinds 2023 apart worden gedeclareerd. Dat is een stap vooruit, het mag maximaal éénmaal per 120 dagen als zorgactiviteit geregistreerd worden. Voor patiënten met meerdere chronische aandoeningen is dat onvoldoende en voor zorgaanbieders biedt het nauwelijks een duurzaam bekostigingsmodel. Dat proces moet sneller en het moet worden gevoed door bewijs uit de praktijk, niet door wachten op de perfecte studie.
Dat brengt me op de tweede verandering: bewijs en financiering als gezamenlijk traject, niet als elkaars voorwaarden. Telemonitoring wordt beoordeeld alsof het een medicijn is, gerandomiseerde studies, harde klinische uitkomsten. Maar de waarde zit ook in aspecten die moeilijker te meten zijn, zoals minder (her)opnames, betere triage, minder reisbewegingen, meer zelfregie, er zijn er nog meer te bedenken. Voorlopige bekostiging met de verplichting om ondertussen bewijs te verzamelen zou de Nederlandse norm moeten worden. Wat bewezen kan worden, zal de gouden standaard worden.
De derde verandering raakt misschien het meest aan de praktijk, ondersteun zorgverleners. De RIVM-monitor maakt dat duidelijk, zorgverleners die digitale zorg gebruiken zijn gemiddeld niet positiever of negatiever over de impact dan collega's die het niet gebruiken. Ze hoeven dus niet overtuigd te worden. Ze moeten vooral beter ondersteund worden, scholing in opleiding én bijscholing, laagdrempelige begeleiding bij implementatie en ruimte in de werkweek.
De vraag die blijft liggen
Vanuit mijn werk in de Zeeuwse zorg herken ik de spanning. De urgentie is er, vergrijzing, personeelstekorten, afstanden tot ziekenhuiszorg die voor veel patiënten groot zijn. Telemonitoring is geen luxe het is een noodzaak. En toch lopen we steeds vast op dezelfde vragen: wie betaalt het, wie is verantwoordelijk, hoe houd je het vol als het implementatie project stopt? Ik heb van dichtbij een paar mooie initiatieven gezien die werken, maar ze kosten meer moeite dan het zou moeten én ook die initiatieven waren afhankelijk van enthousiaste collega’s.
Gijsbers laat zien dat het kan, als de randvoorwaarden ingevuld zijn. De RIVM-monitor laat zien dat het gebruik stagneert zolang die randvoorwaarden ontbreken. En de medisch specialisten zeggen zelf dat opschaling van bewezen digitale innovaties een expliciete opgave is voor 2035. De technologie is er, de beroepsgroep ziet het als noodzakelijk, wat ontbreekt is structurele bekostiging die de praktijk in staat stelt op te schalen, en die tegelijk de verplichting meebrengt om te meten en te leren. Zo zorgen we dat het bewijs niet voorafgaat aan vergoeding, maar ermee groeit.