Hoe staat het met het gebruik van technologie in de langdurige zorg?
Om onderstaande en alle andere premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
U kunt nog {free_articles_left} premium artikel gratis lezen. Om meer premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
Waarom is het gebruik van technologie in de langdurige zorg nog niet zo grootschalig als we wel zouden willen? Binnen het Lectoraat Health Innovations and Technology van Fontys is dit een belangrijk vraagstuk. Een van de ‘tools’ die het lectoraat daarbij gebruikt is de TARS (Technology Adoption Readiness Scale). Deze vragenlijst, in combinatie met het daaropvolgende gesprek, maakt het mogelijk om vanuit het perspectief van zorgprofessionals te meten hoe het staat met het gebruik van een nieuw geïntroduceerde technologie.
Er zijn binnen en buiten de zorg verschillende theorieën en modellen ontwikkeld die het al dan niet opnemen van technologie in het dagelijks werk kunnen verklaren. De Technology Adoption Readiness Scale (TARS) is hier een voorbeeld van. Hierin worden de gebruikte processen bevraagd aan de hand van 32 vragen. Daarmee kan men zich een idee vormen waaraan het nog schort in een organisatie om te komen tot een normalisering in het gebruik ervan.
De auteurs van dit artikel hebben deze vragenlijst afgenomen bij drie Nederlandse zorginstellingen voor langdurige zorg, die alle drie een nieuwe technologie zijn gaan implementeren. Bij de eerste organisatie was dat beeldzorg, bij de tweede de inzet van toezichthoudende domotica en bij de derde het gebruik van Paro, de robotzeehond.
Na afname van de vragenlijst bij de zorgprofessionals werd een verdiepend gesprek gehouden. In dit gesprek kwam naar voren wat er speelde op de werkvloer en wat zorgprofessionals belangrijk vonden met betrekking tot het gebruik van technologie.
Opvallend bij alle drie de zorgorganisaties was dat de meeste zorgprofessionals bij een vraag als ‘de overheid stimuleert het gebruik van technologie in de zorg’ aangaven daar geen idee over te hebben. Ook gaven ze aan een goede balans tussen kosten en baten bij de inzet van technologie geen belangrijk motief te vinden om een technologie al dan niet te gebruiken.
In de discussie bleek dat dit meer een zaak voor het management gevonden wordt.
Wat zorgprofessionals wél belangrijk vinden, is het inzetten van technologie op maat. De vraag in hoeverre de technologie ‘regulier’ was geworden, oftewel onderdeel van het normale zorgproces, riep veel discussie op.
De participerende zorgprofessionals stelden dat technologie niet bij iedere cliënt de juiste oplossing bood. Normalisering van technologische oplossingen was volgens hen dan ook niet het juiste pad om te bewandelen.
De gezamenlijke discussie naar aanleiding van de TARS-resultaten droeg opvallend genoeg bij aan het implementatieproces. Tijdens de gesprekken kwamen verschillende ideeën naar boven. Waar sommigen kansen zagen voor bepaalde doelgroepen, zagen anderen die niet.
Men wisselde ervaringen uit en professionals die eerder weinig heil zagen in de technologie, werden enthousiaster door de verhalen van collega’s. Het blijkt dat wanneer er meer aandacht is voor het gezamenlijk bespreken van het hoe en waarom van zorgtechnologie, dit positief bijdraagt aan het proces van implementatie.
Concluderend kan gezegd worden dat het goed is om het implementatieproces van nieuwe technologie in de zorg te volgen en te evalueren. Dit op zich helpt het gebruik ervan te bevorderen en biedt meer mogelijkheden en kansen voor duurzaam gebruik.
In feite is dit het onderdeel ‘reflexive monitoring’: terugkijken en leren, waar niet altijd voldoende tijd voor wordt genomen.
Sinds dit onderzoek is de TARS-meting, met daarop volgende gesprekken, bij verschillende zorgorganisaties uitgevoerd. Het levert elke keer goede gesprekken op die helpen bij het door zorgprofessionals gedragen gebruik van technologie in hun zorgproces.
De Normalisation Process Theory kan vanuit het perspectief van zorgprofessionals uitleggen welke elementen van belang zijn om technologie goed te laten landen in een organisatie.
De NPT onderscheidt vier processen die nodig zijn om een innovatie goed te implementeren:
Het Technology Acceptance Model (TAM) is het oudste en meest gebruikte verklaringsmodel voor acceptatie van technologie in een werksituatie. Het model gaat uit van de technologie zelf en kijkt naar het waargenomen nut en gebruiksgemak.
Het uitgebreidere model UTAUT voegt hier menselijke factoren aan toe, zoals sociale invloed en faciliterende voorwaarden, evenals factoren als leeftijd, ervaring en vrijwilligheid van gebruik.
Beide modellen richten zich op de intentie om technologie te gebruiken, maar verklaren slechts gedeeltelijk het daadwerkelijke gebruik. Binnen complexe zorgprocessen spelen ook organisatie- en doelgroepfactoren een belangrijke rol.