Digitale virtuele assistenten. Kansen voor de zorg?
Om onderstaande en alle andere premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
U kunt nog {free_articles_left} premium artikel gratis lezen. Om meer premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
Wie een smartphone heeft, kan in de meeste gevallen gebruik maken van een virtuele assistent. Apple heeft Siri en Google heeft ‘Google Assistant’. De tijd met basisfuncties zoals muziek starten of iemand bellen ligt achter ons: virtuele assistenten van nu kennen je agenda en sociale netwerken en doorzoeken het web om voor jou relevante informatie te vinden. Bovendien worden ze continu ‘intelligenter’, waardoor het steeds meer op een conversatie gaat lijken tussen twee mensen. In dit stuk een overzicht van wat op dit moment bekend is over dit onderwerp in de wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke literatuur.
Je komt virtuele assistenten in een wat ander jasje al langer op websites tegen, als zogeheten ‘intelligent virtual agents’, die je als klant helpen bij het uitkiezen van een product of vragen beantwoorden. Niet iedereen is daar blij mee, omdat de functies beperkt zijn: ze kunnen niet overweg met vragen en kennen gebruikers onvoldoende. Ook bestaan al langer ‘chatbots’ om mee te converseren. Al in 2004 verscheen ‘Alice’ op het welbekende ‘MSN Messenger’, waaraan je vragen kon stellen over weer en verkeer.
Inmiddels namen de ontwikkelingen een vlucht, met voorbeelden zoals chatbot ‘Xiao-ice’ van Microsoft met maar liefst 20 miljoen Chinese gebruikers, waarvan sommige de bot zelfs zien als hun partner. Het is dan echt de ‘persoon’ waar ze naartoe gaan als ze het moeilijk hebben. In 2013 werd in de film ‘Her’ al gespeculeerd over dit fenomeen, waarbij de hoofdrolspeler verliefd wordt op zijn virtuele assistent, met alle gevolgen van dien.
Voorbeelden van het gebruik van virtuele assistenten in de zorg zijn er ook. Zoals Tess, de psychologische coach die mensen helpt bij vragen over angsten en andere psychologische problemen. De algoritmes zijn gebaseerd op cognitieve gedragstherapie en de gedachte is dat Tess screening van grote groepen mensen op zich kan nemen en eenvoudige behandelingen overneemt. De echte therapeut heeft dan meer tijd over voor patiënten met een meer complexe hulpvraag.
Een ander voorbeeld is Nadia, een 3D-avatar, gemaakt voor een Australische verzekeraar. Puur uit nood, want de druk op het systeem was te groot. Nadia is er om mensen met een handicap beter te laten communiceren met de helpdesk. Bijzonder is dat ze gemaakt is door de makers van de film Avatar en is ingesproken door actrice Cate Blanchett.
Binnen de zorg bestaat ook Babylon, een app van een Brits bedrijf. Babylon bevat een soort bot die aan triage kan doen, om je vervolgens aan één van hun dokters te verbinden als het nodig is. Een studie vond dat de bot in 100 procent van de gevallen een klinisch veilige uitkomst gaf, terwijl de precisie van de triage op 90,2 procent lag. Een ‘precieze triage’ werd gedefinieerd aan de hand van een ‘gouden standaard’ triage, gedaan door een panel van dokters. Naderhand geteste verpleegkundigen en dokters gaven in 97 procent en 98 procent van de gevallen een veilige uitkomst en waren in 73,5 procent en 77,5 procent van de gevallen net zo precies als de gouden standaard.
In Nederland voerde het Maastricht UMC in 2016 een proef uit met een virtuele assistent om patiënten met hart- en vaatziekten te behandelen. Deze virtuele verpleegkundige, Molly, kan informatie en adviezen geven of zaken registreren.
In de zorggerelateerde wetenschappelijke literatuur is nog erg weinig te vinden over virtuele assistenten. Bij een van de meest gebruikte medische databanken, PubMed, levert de zoekterm ‘virtual assistant’ nog geen artikelen op. Ter vergelijking: de term ‘telemedicine’ levert zo’n 9.000 artikelen op wanneer gezocht wordt in titel en abstract.
In een andere databank dook een artikel op waarin de belasting van virtuele assistenten voor gebruikers werd onderzocht. Strayer et al. voerden een studie uit waarin ze de assistenten van Apple (Siri), Google (Google Assistant) en Microsoft (Cortana) vergeleken tijdens het autorijden. Niet verrassend was de belasting voor de bestuurder tijdens rijden met zo’n assistent hoger dan zonder. Echter bleek ook dat de belasting voor de bestuurder bij Google lager was dan bij de andere twee, door verschillen in het aantal fouten. Zeker iets om rekening mee te houden bij toepassingen binnen de zorg.
Ir. Jules Lancee, biomedical engineer en werkzaam bij het Radboudumc, verdiepte zich in de toekomst van virtuele assistenten en zorg. Hij geeft aan:
“Bij deze virtuele assistenten draait alles om artificiële intelligentie, ofwel AI. Dat is erg breed, want er valt heel veel onder wat wij AI noemen. De ontwikkeling vindt binnen verschillende vakgebieden plaats, maar de toepassing hiervan kan overal plaatsvinden. Precies daardoor gaat het zo snel, want je kunt ervaringen uit de autobranche vrijwel één op één gebruiken voor een zorgtoepassing, zij het met andere inhoud.”
Hij vervolgt:
“Daarom verwacht ik er de komende jaren ontzettend veel van: triage, intakes en informatievoorziening zullen steeds vaker met virtuele assistenten gaan. Ik denk ook dat veel chronische patiënten er baat bij gaan hebben, bijvoorbeeld omdat deze hen kan herinneren op de juiste momenten medicatie te nemen.”
Daarnaast merkt hij op dat iedereen tegenwoordig relatief eenvoudig zelf een chatbot kan ontwikkelen via beschikbare platforms, waarbij technieken zoals ‘natural language processing’ al zijn geïntegreerd.
Voor wie zelf wil proberen een virtuele assistent of chatbot te programmeren: dat kan via platforms zoals API.ai. Wil je zelf een chatbot ‘opvoeden’, dan kan dat via Replika. Dat bedrijf biedt de mogelijkheid om een bot te laten groeien door hem steeds meer op jezelf te laten lijken, bijvoorbeeld door data uit sociale media te gebruiken. Daarmee geef je enerzijds persoonlijke informatie weg, maar anderzijds ontstaat een gepersonaliseerde assistent.
Samenvattend is duidelijk dat het aantal toepassingen snel toeneemt. Tegelijk ontbreekt nog stevig wetenschappelijk bewijs. De ontwikkelingen gaan echter snel en verdienen blijvende aandacht.