Verkenning van een alles-in-één smart device
Om onderstaande en alle andere premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
U kunt nog {free_articles_left} premium artikel gratis lezen. Om meer premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
Voor mensen met een chronische aandoening is het vaak heel normaal om zelf vitale functies of andere gezondheidsparameters te meten. Zo bepalen mensen met diabetes de concentratie glucose in hun bloed. De laatste jaren wordt ook steeds vaker thuis zelf de bloeddruk gemeten. Een toenemend aantal artsen moedigt dit aan. Deze ontwikkelingen zijn mogelijk omdat de tegenwoordig beschikbare apparatuur steeds kleiner, slimmer en gebruiksvriendelijker is. Ook kunnen apparaten steeds meer functies tegelijk meten. Het Radboudumc doet onderzoek naar een dergelijk smart device.
Dit onderzoek vindt plaats bij de afdeling interne geneeskunde, in samenwerking met innovatieafdeling REshape, beide onderdeel van het Radboudumc in Nijmegen. Dr. Bas Bredie, internist en hoofdonderzoeker, geeft aan: “Naast het verkennen van logistieke voordelen en patiënttevredenheid sluit dit onderzoek ook aan bij de trend dat we toenemend buiten het ziekenhuis metingen aan onszelf verrichten en onze gezondheid in de gaten houden, al dan niet in het kader van herstel na ziekte. We vinden het vanuit het Radboudumc belangrijk dat patiënten die het kunnen én willen, zelf een grotere rol spelen bij het monitoren van hun gezondheid.”
De Viatom Checkme is een draagbaar apparaatje dat door patiënten zelf vastgehouden wordt. In 25 seconden worden het ECG, de temperatuur, hartfrequentie, zuurstof in het bloed (SpO2) en de bloeddruk bepaald. Verder is het apparaat een stappenteller en monitort het de slaap. Bepaling van de bloeddruk gebeurt, na eenmalige kalibratie, zonder band om de bovenarm. De gegevens worden geëxporteerd naar een smartphone-app en indien gewenst naar een persoonlijk gezondheidsdossier of zorgverleners.
In een eerste studie onderzocht het team de validiteit van bloeddrukmetingen met de Checkme. Het op een nieuwe manier meten van de bloeddruk, zonder de welbekende band om de arm, stond hierbij centraal. Een veelgehoorde klacht gaat namelijk over de knellende band, die je zelfs uit je slaap kan houden, bijvoorbeeld bij een 24-uurs bloeddrukmeting.
In de veilige omgeving van het ziekenhuis werd bij 52 patiënten op de polikliniek de bloeddruk gemeten door een arts, de gouden standaard, en vergeleken met metingen van patiënten zelf met de Checkme. Er waren drie groepen, waaronder mensen met een te hoge, te lage en een normale bloeddruk. Het standaardvalidatieprotocol van de Europese Vereniging voor Hypertensie werd gevolgd.
De belangrijkste bevindingen waren dat de correlatie tussen de gouden standaard en de Checkme-metingen goed was. In 76 procent van de metingen was het verschil kleiner dan 5 mmHg, wat een klein verschil is. Bij vijf mensen was het verschil groter dan 15 mmHg. Bas Bredie: “Bloeddruk verandert snel, dat is normaal. Ik schrik dus niet zo van deze verschillen. Ze liggen in lijn met wat je tegenkomt bij validatieonderzoek van bloeddrukmeters.”
Klinische beslissingen kun je bovendien beter niet nemen op basis van één meting, maar op basis van een trend. Uit dit onderzoek moet blijken of verschillen door de Checkme zelf veroorzaakt worden. Het kan zijn dat mensen hem verkeerd vasthouden, waarbij het niet op harthoogte houden ook een rol speelt.”
De onderzoekers beschrijven verder dat er nog geen protocol bestaat om het meten van bloeddruk zonder band te valideren. Ze vragen zich af in hoeverre eenmaal kalibreren met een andere bloeddrukmeter toereikend is. Over beide zaken bestaat internationaal nog geen consensus.
In een tweede studie keek het team naar het gebruik van de Checkme bij opgenomen patiënten. Die worden normaal gesproken minimaal driemaal per dag bezocht door een verpleegkundige, die vitale functies zoals hartslag, bloeddruk en zuurstof in het bloed meet en een geaggregeerde ziektescore berekent. Die metingen kosten ongeveer zes minuten per keer per patiënt, terwijl de patiënt hierbij niet kan helpen. Bovendien worden de verkregen waarden handmatig in het EPD ingevoerd, waardoor de kans op fouten aanwezig is.
In deze studie deden de onderzoekers naast deze standaardcontroles aanvullende metingen met de Checkme. Om dit wetenschappelijk te kunnen bestuderen vond ook een traditionele meting door een getrainde onderzoeker plaats, die de metingen ‘perfect’ uitvoerde.
De resultaten lieten zien dat kleine verschillen bestaan tussen de metingen, maar dat de totale inschatting van hoe ziek iemand is, door middel van de ziektescore, hierdoor niet veranderde. De onderzoekers concluderen dat de arts hierdoor niet op het verkeerde been wordt gezet. Oftewel: de Checkme kan in een klinische setting betrouwbare informatie geven waarmee de klinische toestand adequaat kan worden ingeschat. Opvallend is dat de patiënt hierbij zelf een rol speelt bij het meten. Een volledig overzicht verschijnt binnenkort in een wetenschappelijk tijdschrift.
Momenteel wordt het thuismeten met de Checkme bestudeerd. Onderzoeker Jelske de Jong: “Enerzijds is dit thuismeten een logische stap, want patiënten meten nu zelf ook al thuis hun bloeddruk. Anderzijds is het vanuit onderzoeksperspectief lastig omdat je er niet bij bent en dus niet precies weet wanneer en hoe mensen het apparaat gebruiken.”
“Daarom trainen we deelnemers vooraf goed en controleren we aan het einde van de studie met een videoanalyse of ze metingen correct uitvoeren. Ook vergelijken we de bloeddruk gemeten met de Checkme met de gevalideerde bloeddrukmeter die mensen sowieso al gebruiken.”
De voorlopige resultaten laten zien dat de betrouwbaarheid goed is. Bij dubbel uitgevoerde metingen is de correlatie goed, waarbij bij 9 op de 10 metingen de verschillen kleiner zijn dan 10 mmHg. Daarnaast bestaat een zeer sterke correlatie tussen de Checkme-waarden en de gemiddelde bloeddruk gemeten met klassieke thuismeters.
De onderzoekers beschrijven verder dat het bij enkele deelnemers niet goed lukte om de bloeddruk te meten. Dit kan volgens hen te maken hebben met de doorbloeding van de vingertoppen of huidskleur en wordt verder onderzocht. Uit interviews met deelnemers blijkt dat mensen de Checkme handig en gebruiksvriendelijk vinden. Jelske: “Je kunt met veel minder moeite veel meer in één keer meten.”
Bas Bredie vervolgt: “We realiseren ons dat dit misschien niet hét apparaatje van de toekomst is, maar het is zeker dat we deze kant op bewegen en verschillende fabrikanten met vernieuwende apparatuur komen. Wat we nu al leren, en dat is ook noodzakelijk, is hoe je met deze grote hoeveelheid ‘real life data’ omgaat. Dus: wat kunnen we ermee? Hoe passen we de therapie, bijvoorbeeld medicatie, aan op basis van deze nieuwe informatie?”
Het staat vast dat mensen steeds minder tijd doorbrengen in ziekenhuizen. Dit onderzoek laat zien dat apparatuur zoals de Checkme kan bijdragen aan optimale zorg. Bas Bredie: “Misschien wordt de software wel zo slim dat je een seintje krijgt als je wél naar het ziekenhuis moet komen.”
“Dit laatste geldt zeker voor chronische aandoeningen zoals hypertensie en diabetes, maar in toenemende mate ook voor meer acute problematiek, zoals herstel na een operatie: als het ergste gevaar geweken is, kunnen mensen thuis herstellen, al dan niet met hulp van de wijkverpleegkundige.”
Data over onze gezondheid en ons welzijn zijn relevant voor iemands eigen zorg en behandeling én voor wetenschappelijk onderzoek. Meerdere keren besteedde ICT&health hier aandacht aan. Aan de andere kant bestaan ook zorgen over privacy en security: wat als gegevens in verkeerde handen vallen, of alleen al het idee dat je niet weet wat er met jouw gegevens gebeurt? Abdelhamid en collega’s onderzochten met behulp van een vragenlijst hoe gebruikers hiertegen aankijken.
De onderzoekers bevroegen een heterogene groep van 1606 volwassenen uit de Verenigde Staten. In het bijzonder keken zij naar factoren die het wel of niet delen van gegevens beïnvloeden. Zij vonden dat activatie van patiënten, hun betrokkenheid en de relatie met hun zorgverlener een significant positieve bijdrage hadden op de intentie om data te delen. Aan de andere kant bleek de aanwezigheid van privacyzorgen juist een significante belemmering.
Volgens de onderzoekers vervullen zorgverleners hierbij een sleutelrol. Naast patiënten moeten juist zij maximaal aandacht hebben voor de relatie en patiëntparticipatie. Het is immers ook in hun belang dat alle beschikbare data, verzameld met en door patiënten, gedeeld worden. Dit leidt volgens hen tot betere klinische beslissingen, minder fouten en draagt bij aan doelmatigheid.