VR in de GGZ: tussen belofte en belemmering
Om onderstaande en alle andere premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
U kunt nog {free_articles_left} premium artikel gratis lezen. Om meer premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
De geestelijke gezondheidszorg (GGZ) staat onder druk: wachtlijsten en personeelstekorten groeien. Virtual Reality (VR) wordt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) gepresenteerd als veelbelovende oplossing. En met reden: VR kan de behandelefficiëntie en –intensiteit te verhogen, wat snellere therapieën bij trauma- en angstbehandelingen mogelijk maakt. Zo duren EMDR-sessies met VR gemiddeld een kwartier korter. Ook kunnen patiënten zelfstandig thuis VR-sessies volgen, wat de eigen regie versterkt en behandelaren ontlast. Toch komt de opschaling van VR moeizaam van de grond, ondanks enthousiaste behandelaren en organisatorische investeringen in VR-brillen. Een opmerkelijke paradox: de technologie die tijd moet besparen, krijgt in de praktijk zelf te weinig tijd om goed landen. In dit artikel beschrijven we de belangrijkste succesfactoren en belemmeringen voor de implementatie van VR in de GGZ, gebaseerd op recent onderzoek bij GGNet.
Met een VR-bril stappen patiënten in een levensecht aanvoelende digitale driedimensionale wereld. Hier kunnen zij veilig werken aan hun problematiek. VR wordt al succesvol ingezet bij traumagerelateerde stoornissen met EMDR-therapie en bij angststoornissen met cognitieve gedragstherapie (CGT). De eerste onderzoeksresultaten zijn veelbelovend: behandelingen zijn effectiever en studies naar de efficiëntie zijn volop gaande. Daarnaast draagt VR bij aan meer patiëntbetrokkenheid en biedt het nieuwe behandelmogelijkheden voor patiënten die eerder niet op therapie reageerden.
Maar hoe breng je deze technologie structureel naar de praktijk? Duurzame implementatie van technologie vergt een integrale aanpak die niet alleen losse knelpunten aanpakt, maar het geheel aan processen, mensen en systemen in samenhang meeneemt. GGNet besloot daarom de implementatie en opschaling van VR te onderzoeken, om daarna passende implementatiestrategieën te ontwikkelen. De focus lag op VR-implementatie bij traumagerelateerde stoornissen (EMDR-therapie) en angststoornissen (CGT). Met behulp van het NASSS-framework1 werden de belangrijkste succesfactoren en belemmeringen in kaart gebracht. Aan het onderzoek werkten 11 GGNet-zorgprofessionals mee. Zij waren allen getraind in het gebruik van VR, maar verschilden aanzienlijk in hun echte gebruik van e-mental health: van minimaal tot innovatief gebruik (zie kader ‘Adoptieniveaus van e-mental health’).
De houding van behandelaren en hun vermogen om VR te integreren, zijn essentieel voor succes. Uit de interviews blijkt dat professionals die openstaan voor VR meestal al positieve ervaringen hebben met technologie in behandelingen, zoals e-health modules en videobellen. Ze ontwikkelen hun VR-vaardigheden vooral door te doen, te experimenteren en kennis uit te wisselen met collega's. Deze behandelaren verwachten dat VR hun werk interessanter of effectiever maakt. Die verwachting wordt in de praktijk vaak bevestigd. Ze zien concrete resultaten: tijdwinst, betere effectiviteit, meer betrokkenheid van cliënten. Dit motiveert hen om VR te blijven gebruiken en om collega's te enthousiasmeren.
Toch blijft het enthousiasme kwetsbaar. Praktische randvoorwaarden blijken cruciaal voor het succes van VR-implementatie. De apparatuur moet direct beschikbaar en gebruiksklaar zijn wanneer een behandelaar ermee aan de slag wil. Anders ontstaat frustratie. Behandelaren gaan VR dan minder gebruiken en het vertrouwen erin neemt af. Technische problemen zoals WiFi-storingen of koppelingsproblemen komen regelmatig voor en zijn lastig snel op te lossen, zelfs met helpdesk-ondersteuning. Behandelaren vallen dan noodgedwongen terug op traditionele methoden, wat het vertrouwen in VR als betrouwbare behandelvorm negatief beïnvloedt.
Een ander belangrijk knelpunt is het ontbreken van heldere afspraken over hoe en wanneer VR wordt ingezet in de organisatie. Behandelaren pleiten voor een proactief 'VR tenzij'-beleid: VR is de norm in plaats van een extra optie. Systematische procedures voor het toewijzen van VR-behandelingen ontbreken vaak. Ook de registratie en administratie zijn niet goed geïntegreerd in systemen. Wanneer ervaren VR-gebruikers vertrekken, verdwijnt ook hun expertise, omdat opvolgers niet automatisch worden opgeleid in het gebruik van de technologie.
Ondanks positieve intenties zijn er aanzienlijke drempels in de praktijk. Behandelaren die meer moeite hebben met technologie in het algemeen, adopteren VR ook langzamer. Door tijdsdruk en gebrek aan routine wordt 'leren door doen' voor hen ingewikkeld. Ze worstelen vaker met technische handelingen en voelen zich sneller onzeker bij storingen. Wanneer in de praktijk de mogelijkheden van het gebruik tegenvallen, leidt dit tot teleurstelling en haken sommigen definitief af.
Onder behandelaren bestaat twijfel over de bewezen effectiviteit van VR. Omdat behandeltrajecten een individueel karakter hebben, is het lastig om te beoordelen of de inzet van VR daadwerkelijk het behandeltraject heeft verkort. Voor complex en vroegkinderlijk trauma wordt VR als minder geschikt beschouwd. Direct visueel contact met de behandelaar wordt als essentieel gezien voor het bieden van steun tijdens deze behandelsessie.
Het vergroten van de inzet van VR in de behandeling vergt volgens respondenten structurele aandacht voor VR in behandelteams. Actieve kennisdeling, samenwerking met andere teams, en het formaliseren van een expertrol zijn daarbij belangrijk. Daarnaast blijken inspiratiedagen essentieel voor de duurzame borging van VR in de organisatie.
Op organisatorisch niveau is de intentie om innovatie te stimuleren en realiseren aanwezig, maar in de praktijk wordt er onvoldoende tijd en geld beschikbaar gesteld. Respondenten geven aan dat het management doorgaans focust op productiecijfers, waardoor er te weinig ruimte overblijft voor het eigen maken van nieuwe werkwijzen.
Zo ontstaat de eerdergenoemde paradox: VR-inzet moet behandeltijd besparen, maar dit doel wordt niet bereikt omdat er vanaf de start geen tijd wordt geïnvesteerd om deze werkwijze goed te implementeren. Behandelaren voelen zich genoodzaakt om zelf tijd vrij te maken. De implementatie wordt zo afhankelijk van individuele motivatie en beschikbare tijd, vaak buiten reguliere werktijden. Dit ondermijnt ook collectieve leerstructuren zoals intervisie, terwijl juist die uitwisseling waardevol zou zijn. Het ontbreken van heldere richtlijnen over wanneer en hoe de VR-bril ingezet kan worden, draagt verder bij aan onzekerheid.
Een duurzame implementatie van VR in de behandeling begint met een heldere visie op doelstellingen en toepassingsmogelijkheden, nog vóór de invoering plaatsvindt. Deze visie moet worden ontwikkeld door zorgverleners en beleidsmakers samen met duidelijke afspraken en structurele ondersteuning als fundament.
Een belangrijke uitdaging is hier het overbruggen van de spanning tussen productiedoelen en de benodigde ruimte voor innovatie. Dat vraagt om bewuste keuzes en realistische planning. Daarnaast is een betrouwbare technische infrastructuur nodig: stabiele WiFi-verbindingen, reserveapparatuur voor noodgevallen, en directe technische ondersteuning die bij voorkeur op locatie beschikbaar is.
Om verlies van expertise te voorkomen en continuïteit te waarborgen, is het belangrijk om VR-expertisedragers per team te benoemen. Best practices moeten worden vastgelegd en kennisoverdracht bij personeelswisselingen gewaarborgd. Een interne VR-handleiding met praktische tips kan voor nieuwe gebruikers van toegevoegde waarde zijn.
Tot slot is het noodzakelijk om VR-competenties op te nemen in post-HBO en post-WO opleidingen voor psychologen. Ook moeten er professionele standaarden voor VR-gebruik in de GGZ geformuleerd worden, inclusief duidelijke contra-indicaties en veiligheidsprocedures. Dat geeft psychologen houvast en versterkt het vertrouwen in VR als evidence based behandelmodaliteit.
E-mental health gebruikers zijn te verdelen in vijf adoptieniveaus2: 'Geen gebruik' (afkerig, lage computervaardigheid), 'Minimaal gebruik' (onzeker, beperkt tot bekende tools), 'Passief gebruik' (onderdeel routine, gemakkelijk toegankelijk), 'Actief gebruik' (duidelijke visie, actief integreren), en 'Innovatief gebruik' (initiëren projecten, visie op grote veranderingen). Persoonlijke positieve ervaringen en intrinsieke motivatie nemen toe met elk niveau.
GGNet ondersteunt jaarlijks ongeveer 18.000 mensen met psychische problemen via zowel BAS bggz (vanaf 18 jaar) als specialistische ggz (alle leeftijden). Bas richt zich op lichte tot matige klachten zoals somberheid, angst en trauma, terwijl de specialistische ggz complexe hulpvragen behandelt. De organisatie met 2.100 medewerkers is actief in Noord- en Oost-Gelderland via locaties zoals Apeldoorn, Doetinchem, Warnsveld, Winterswijk, Zevenaar en Zutphen. Zowel medewerkers van BAS als van de sggz werken met VR in de behandeling. De brillen worden met name ingezet bij de behandeling van angst (360° video) en trauma (EMDR VR). Respondenten van het onderzoek komen uit beide groepen.
Het onderzoek is uitgevoerd binnen de masteropleiding Health Care & Social Work bij hogeschool Saxion. Deze tweejarige deeltijdopleiding is gericht op het begrijpen en het beïnvloeden van de continu veranderende behoeften in de werkvelden van gezondheidszorg en welzijn. Het is een kans voor de ondernemende professional om de verbinding te leggen tussen innovatie, beleid en onderzoek.
De masteropleiding stelt de professional in staat om over de grenzen van het eigen vakgebied te denken en handelen. De professional leert complexe problemen te analyseren, vraagstukken te identificeren, onderzoek te doen en bij te dragen aan innovatie en professionalisering van de zorg- en welzijnssector. Expliciete aandacht is er voor de meerwaarde van technologische ontwikkelingen om de zorg en hulpverlening te verbeteren, efficiëntie te vergroten en nieuwe mogelijkheden te ontdekken.