Het Landelijk dekkend netwerk in zes vragen
Om onderstaande en alle andere premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
U kunt nog {free_articles_left} premium artikel gratis lezen. Om meer premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
De digitale transformatie in de zorg heeft een helder doel: een gezondheidsinformatiestelsel waarbij de juiste gegevens, op het juiste moment, voor de juiste persoon beschikbaar zijn. Maar hoe verbinden we veilig alle verschillende systemen? Het antwoord is het Landelijk dekkend netwerk (LDN): het digitale 'wegennet’ van onze zorginfrastructuur. Omdat het LDN de nodige vragen oproept over techniek, standaarden en verantwoordelijkheden, beantwoordt Directeur Informatiebeleid/CIO van VWS Bianca Rouwenhorst de zes meestgestelde vragen.
“Gezondheidsgegevens zijn nu vaak opgesloten in verschillende systemen, domeinen en lijnen. Zorgverleners hebben daarom niet altijd direct de juiste informatie beschikbaar, waardoor patiënten soms op kritieke momenten op de juiste hulp moeten wachten. Ook zijn zorgverleners dagelijks veel tijd kwijt aan opvragen en overtikken van gegevens, met als gevolg een hogere werkdruk en een grotere kans op medische fouten.”
“Het LDN laat zorgverleners betrouwbaar, snel en veilig data uitwisselen. Onder andere door bestaande infrastructuren aan elkaar te koppelen en zo te zorgen voor een digitaal ‘wegennet’ voor landelijke gegevensuitwisseling. Maar ook door afspraken te maken over veilig gebruik daarvan.”
“De digitale snelweg kent geen openingsmoment: we leggen hem aan terwijl we er al op rijden. We kunnen de zorg namelijk niet voor onderhoud stilleggen. In verschillende regio’s en sectoren liggen al geasfalteerde stukken waar gegevens veilig stromen. Onze opgave is om die wegen aaneen te sluiten tot één netwerk.”
“De komende tijd zie je de voortgang heel concreet: met landelijke afspraken die zorgen voor eenheid van taal bij de uitwisseling tussen systemen van verschillende leveranciers. Daarmee voldoen we ook aan wetgeving die digitale en gestandaardiseerde uitwisseling verplicht stelt, zoals de Wegiz en EHDS. Elke nieuwe aangesloten 'afslag' ontlast de zorgverlener. We bouwen dus niet aan een verre droom, maar aan een verbinding die elke dag sterker wordt.”
“Daarover hebben onder andere VWS, Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en CumuluZ afspraken gemaakt. Er komt een tactische tafel: het Coördinatieteam Digitale Samenwerkingsinitiatieven (CDS). Het doel: versnippering van met IZA-gelden gefinancierde regionale initiatieven te verminderen en regionale en landelijke ontwikkelingen optimaal op elkaar te laten aansluiten. Dat vraagt ook om keuzes en standaardisatie: de vrijblijvendheid gaat eraf.”
“Ik verwacht dat we meer één gezamenlijke koers gaan varen. We hebben al veel keuzes gemaakt. De volgende stap is dat we onze keuzes nog meer op elkaar afstemmen. Dat betekent ook dat we stoppen met initiatieven die niet werken. En er gaat alleen nog subsidie naar projecten die laten zien hoe ze voldoen aan de landelijke kaders.”
“Stel je voor dat we overal in Nederland spoorwegen aanleggen, maar dat elke regio zelf de breedte van de rails bepaalt. Dan komt de trein de regiogrens niet over. Dat is wat er nu in de zorg gebeurt. De afspraken en het CDS moeten ervoor dat de verschillende regiosporen aansluiten bij de landelijke standaarden. We combineren het regionale tempo met landelijke afspraken en komen dichter bij het gezamenlijke doel: via landelijk gegevensuitwisseling en databeschikbaarheid naar waardevolle zorgimpact. Voor burgers, zorgverleners en onderzoekers.”
“Uiteindelijk gaat het om die concrete zorgimpact: meer regie voor burgers, minder administratie en meer werkplezier voor zorgverleners, betere zorg voor iedereen. Het LDN brengt als essentieel fundament de realisatie van databeschikbaarheid stap voor stap dichterbij.”
“Dat vraagt om samenwerking, duidelijke keuzes en blijvende afstemming met het veld. De komende periode werken we dit met betrokken partijen verder uit, zodat het netwerk niet alleen technisch klopt, maar ook in de praktijk werkt. Vragen, aandachtspunten of signalen uit de praktijk blijven daarbij belangrijk. Dus blijf ons daarmee vooral opzoeken.”