De kat komt pas uit de kast wanneer iemand de deur opent
Om onderstaande en alle andere premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
U kunt nog {free_articles_left} premium artikel gratis lezen. Om meer premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
Uit het onderzoek ‘Hoe komt de kat uit de kast?’ (zie ook ICT&health 2, 2026)1 blijkt dat zorgtechnologie in veel zorginstellingen wel aanwezig is, maar vaak ongebruikt blijft. Studenten en professionals herkennen dat apparaten niet zichtbaar zijn, kennis ontbreekt, en de bestaande werkcultuur een drempel vormt om technologie actief in te zetten. Studenten voelen zich bovendien vaak onzeker om kritisch te zijn tijdens hun stage, terwijl juist zij, wanneer ze zich veilig en gesteund voelen, een belangrijke motor kunnen zijn voor het op gang brengen van innovatie op de werkvloer. De school speelt daarin een sleutelrol door studenten niet alleen technologische vaardigheden mee te geven, maar hen ook te leren hoe zij collega’s kunnen meenemen en stimuleren.
In dit vervolgartikel zoomen we in op de rol die mbo-studenten kunnen vervullen en de gewenste begeleiding daarbij. We gaan in op concrete strategieën om technologie zichtbaar, toegankelijk en vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks werk te maken én hoe studenten hierin effectief kunnen worden ondersteund en ingezet.
Studenten brengen actuele kennis mee, zijn gewend om met technologie te werken en kijken met een open, frisse blik naar de dagelijkse praktijk. Zij laten ervaren collega’s nadenken over hun eigen manier van werken door het uitvoeren van zorg-tech-opdrachten. Wanneer zij daarbij voldoende ruimte en begeleiding krijgen, kunnen mbo-studenten daadwerkelijk beweging op gang brengen op de werkvloer.
Om hiervoor concrete handvatten te bieden, is een opdrachtenboek ontwikkeld, bestaande uit praktijkvoorbeelden, praktijkopdrachten en opdrachten voor tijdens de les. Inbedding van dit opdrachtenboek in het curriculum draagt bij aan competente studenten die de kat uit de kast weten te krijgen. In de opdrachten komen praktijk en school samen. Vaak zoekt de student iets in de praktijk uit en bespreekt dit vervolgens op school met medestudenten. Het helpt om:
Naast de opdrachten is de rol van de docent en de werkbegeleider op de werkvloer cruciaal. Het is noodzakelijk dat zij de student vertrouwen geven en een veilige leeromgeving creëren, zodat de student durft te experimenteren.
In de eerste fase van de opleiding leert de student over nut en noodzaak van het werken met technologie. Veel technologie wordt niet gebruikt omdat niemand precies weet waar deze staat, of omdat deze zo weinig wordt ingezet dat collega’s vergeten dát het er is.
Door de technologie in kaart te brengen, te demonstreren en onder de aandacht te brengen, zorgt de student al voor een belangrijke verschuiving: van onzichtbare hulpmiddelen naar middelen waarvan het team weer weet dat ze bestaan. Voor een succesvol gesprek is het noodzakelijk dat de docent en werkbegeleider de tijd nemen om ervaringen te delen.
In deze fase speelt ook het analyseren van werkroutines een rol. Studenten observeren hoe werkzaamheden georganiseerd zijn en ontdekken welke processen technologie in de weg staan of andersom: welke routines juist waardevol ondersteund worden met bestaande hulpmiddelen.
Door deze bevindingen in de opleiding en in de praktijk terug te koppelen, ontstaat inzicht in waarom technologie tot nu toe niet benut wordt. Dat maakt de drempel om daar verandering in te brengen aanzienlijk lager. De docent en werkbegeleider scheppen voorwaarden om het gesprek hierover aan te gaan, door bijvoorbeeld de student te vragen of deze ideeën heeft om de zorg anders uit te voeren.
Na deze verkennende fase verschuift de rol van studenten naar het daadwerkelijk inzetten van technologie die nog niet wordt ingezet. Dit betekent dat zij technologie in praktijksituaties testen, de bruikbaarheid evalueren en de resultaten delen met het team.
Een student kan bijvoorbeeld vastleggen hoe medewerkers de technologie ervaren, hoe vaak storingen optreden, hoe cliëntvriendelijk een apparaat is of welk effect een hulpmiddel heeft op de werkdruk of zelfredzaamheid. Deze bevindingen bieden een concreet en onderbouwd beeld van de waarde van technologie en dat helpt teams om beter afgewogen keuzes te maken. Het helpt ook wanneer het team en de opleiding ruimte bieden om het wel of niet inzetten van zorgtechnologie met de student te bespreken.
Daarnaast onderzoeken studenten hoe technologie onderdeel kan worden van de zorg, door af te stemmen met collega’s, cliënten en mantelzorgers. Door middel van de opdrachten die studenten vanuit school ontvangen zijn zij voortdurend bezig met het inzetten van technologie die tot dat moment nog niet veel werd gebruikt. Het wordt daardoor steeds normaler om hieraan te werken voor studenten en voor hun begeleiders.
Dit helpt om technologie niet als los project, maar als integraal onderdeel van het werk te zien. Een voorwaarde is dat docenten en werkbegeleiders zelf een onderzoekende houding tonen, zodat zij een voorbeeld zijn voor studenten.
In de laatste fase verschuift de aandacht naar een ambassadeursrol. Studenten leren hoe innovatieprocessen verlopen en hoe je collega’s begeleidt bij het leren gebruiken van nieuwe middelen.
Zij zetten kleine, overzichtelijke stappen om draagvlak te vergroten, bieden korte instructiemomenten aan en maken resultaten zichtbaar. De student leert dat op een toegankelijke manier te bespreken en zorgt ervoor dat het onderwerp voortdurend op de agenda blijft staan.
Door na te denken over hoe de zorg er over 5 jaar uit zal gaan, zien leert de student om nu keuzes te maken om voorbereid te zijn op de toekomst. Dit helpt de student om beter in staat te zijn om met toekomstige veranderingen om te gaan. Zowel op school als in het werkveld is het belangrijk om het gesprek te voeren over hoe de zorg van de toekomst eruit zal zien.
Tot slot ontwikkelen studenten een compact implementatieplan voor de betreffende technologie waarmee deze werkelijk verankerd kan worden in de dagelijkse praktijk. Ze formuleren doelen, beschrijven verantwoordelijkheden en bepalen hoe succes wordt gemeten. Daarmee stimuleren zij de organisatie/collega’s om een stap te zetten van incidentele inzet naar structurele adoptie. De ontwikkelde opdrachten en de steun van de werkbegeleider zijn hierin helpend.
Samengevat ligt de toegevoegde waarde van mbo‑studenten in het zichtbaar maken van technologie, het analyseren van bestaande werkroutines, het uitvoeren van praktische tests en het stimuleren van collega’s tot verandering, ondersteund en gestimuleerd door hun begeleiders en docenten.
Zo helpen zij spreekwoordelijke katten in de kast te vinden, eruit te halen en in te zetten. Zo dragen zij een bij aan toekomstbestendige zorg waarin technologie geen ongebruikt object is, maar een vanzelfsprekend en effectief onderdeel van het dagelijks werk.