De overstap van Femke Jacobs-Wijbenga – alumnus van de masteropleiding digitale transformatie van zorg en welzijn¹ (voorheen AHIP) van Inholland – van de curatieve zorg naar het sociaal domein laat zien hoe digitalisering een steeds grotere rol speelt bij preventie, zelfregie en ondersteuning van inwoners. Vanuit haar functie als strategisch beleidsadviseur bij Buurts² werkt zij aan het versterken van de zelfregie van inwoner door in te zetten op digitalisering van de ondersteuning. In dit interview geeft zij vier uitgangspunten die daarbij in het oog springen: digitaal eerst, integratie in het primaire proces, samendoen en teamaangelegenheid.
Buurts wil Haarlemmers, buurten en de stad versterken, met als uitgangspunt dat dit het beste kan door mensen mee te laten doen. Individuele begeleiding door een professional maakt mensen afhankelijk: de eigen kracht versterken is veel duurzamer in deze visie.
Ondersteuning wordt zo veel mogelijk digitaal opgestart (aanmelding, toegangsproces, informatie), daarna volgt collectieve en vervolgens individuele hulpverlening. Bij Buurts is de ondersteuning digitaal én fysiek toegankelijk, zij ondersteunen zoveel mogelijk blended - ook bij de collectieve hulpverlening.
Deze benadering sluit aan bij de motivatie van Femke om de overstap van de huisartsenzorg naar het sociaal domein te maken. In de curatieve zorg zag zij dat preventie vaak pas aan bod kwam wanneer er al sprake was van een probleem of aandoening. In het sociaal domein ligt juist de mogelijkheid om inwoners eerder te bereiken en hen meer eigen regie te geven. Femke schetst dit als volgt: “Hoe kunnen we die inwoner al preventief helpen sturen en informatie verschaffen, zodat een stuk zorg en ondersteuning voorkomen kan worden.”
Een mooi voorbeeld is de integratie van het e-health platform Gezondeboel³. Dat biedt inwoners toegang tot online modules binnen onder andere het sociaal domein waarmee zij zelfstandig informatie kunnen krijgen, oefeningen aangereikt krijgen en meer inzicht verwerven in hun eigen situatie. Het doel is niet om professionele ondersteuning te vervangen, maar om inwoners eerder en actiever bij hun eigen ontwikkeling te betrekken. Volgens Femke gaat het vooral om zelfmanagement: “Het stukje eigenregie, het zelfmanagement stimuleren van de inwoner op een bepaald vraagstuk.”
Toch laat de praktijk zien dat ‘digitaal eerst’ niet betekent dat inwoners volledig zelfstandig aan de slag kunnen. Juist binnen het sociaal domein blijkt dat veel cliënten te maken hebben met complexe problematiek, beperkte digitale vaardigheden en/of een overvolle leefwereld. Dit maakt duidelijk dat digitalisering van het ondersteuningsproces alleen succesvol is wanneer er voldoende begeleiding aanwezig blijft.
Onderdeel van primair proces
Het tweede belangrijke aandachtspunt is dat digitale hulpmiddelen geen losstaande activiteit mogen zijn, maar integraal onderdeel worden van de dagelijkse praktijk van professionals. In eerste instantie werd vaak gedacht dat inwoners zelfstandig een module konden doorlopen. De praktijk was anders.
Daarom moet een e-healthmodule niet worden aangeboden als losstaand product, maar als een uitbreiding van bestaande professionele begeleiding. De digitale ondersteuning wordt dan verweven met gesprekken, opdrachten en evaluaties, zegt Femke. “Het moet echt als een verrijking gezien worden van de ondersteuning; een uitbreiding zijn van je ondersteuningstraject waar, door het inzetten van een module, de nadruk komt te liggen op wat de inwoner zelf kan betekenen in zijn/haar ontwikkeltraject.”
Voor professionals blijkt dit uiteindelijk juist voordelen op te leveren. Wanneer inwoners tussen gesprekken door actief met hun hulpvraag bezig zijn, ontstaat meer structuur in het begeleidingstraject. De professional kan zien welke onderdelen van het digitale programma zijn bekeken, welke opdrachten zijn ingevuld en welke onderwerpen extra aandacht nodig hebben.
Een van de meest positieve uitkomsten van Gezondeboel was volgens Femke dat de professional de inwoner kan volgen. Is dat filmpje inderdaad bekeken of die invuloefening gedaan? Dan kan er ook een meer specifieke structuur in de ondersteuning worden aangebracht en kun je gerichte vragen stellen en onderwerpen bespreken tijdens het fysieke contactmoment.
Digitalisering verandert zo van extra taak voor cliënt en hulpverlener naar een praktisch hulpmiddel. Het gesprek wordt concreter, de voortgang is zichtbaarder en inwoners nemen meer verantwoordelijkheid voor hun eigen ontwikkeling. Uiteindelijk kan dit zelfs bijdragen aan een lagere ondersteuningsfrequentie:
“Als iemand een module zelf doorloopt en zelfstandiger met zijn hulpvraag bezig is, zou je ook kunnen voorstellen de frequentie van de ondersteuning wat af te bouwen”, aldus Femke.
Dat is niet alleen gunstig voor de inwoner, maar ook noodzakelijk in een sector die kampt met personeelstekorten en een groeiende vraag naar ondersteuning.
Samen doorlopen
Misschien wel het belangrijkste aandachtspunt: digitale ondersteuning werkt niet wanneer inwoners simpelweg een inlogcode ontvangen en daarna aan hun lot worden overgelaten. Het succes blijkt sterk afhankelijk van hoe een module wordt geïntroduceerd. Professionals starten het traject samen met de inwoner op, laten zien hoe het werkt en leggen uit wat de meerwaarde is. Vervolgens worden kleine opdrachten afgesproken die later samen worden besproken.
Femke beschrijft dit als volgt: “De inwoner wordt meegenomen in kleine stapjes, zoals ‘probeer eens stap één te doorlopen of probeer deze week eens dat filmpje te kijken en die opdrachten erbij te maken’. Dan kunnen ze daar de volgende keer weer op terugkomen. Het biedt ook echt meer structuur in de ondersteuning van de professional.”
Deze werkwijze heeft meerdere voordelen. Inwoners voelen zich niet alleen verantwoordelijk voor het proces, maar krijgen ook meer inzicht in hun eigen situatie. Tegelijkertijd ontstaat een gezamenlijke taal om over problemen en oplossingen te praten. Tijdens de evaluatie werd zichtbaar dat juist deze combinatie van digitale ondersteuning en persoonlijk contact goed werkt. De modules stimuleren reflectie en bewustwording, terwijl ze de professional helpen om inzichten te vertalen naar concrete stappen.
Niet iedere inwoner heeft natuurlijk dezelfde ondersteuning nodig. Daarom werkt Buurts momenteel aan inwonerprofielen. Deze aanpak maakt het mogelijk om beter te bepalen welke vorm van digitale ondersteuning het beste aansluit bij verschillende doelgroepen.
Een teamaangelegenheid
Een vierde aandachtspunt is dat digitale transformatie nooit het succes kan zijn van één projectleider of enkele enthousiaste medewerkers. Duurzame verandering vraagt om draagvlak binnen teams en om mensen die anderen meenemen in de nieuwe werkwijze.
Femke benadrukt het cruciale belang van ambassadeurs: “Teamleiders bijvoorbeeld, of superusers die thuis zijn in digitale transformatie en die daar heel positief in staan en het met regelmaat inzetten in hun dagelijks werk. Die moet je blijvend in het zonnetje zetten, blijven vragen bij bijeenkomsten, zodat het levend blijft en echt een vast onderdeel wordt van hun ondersteuning.”
Deze ambassadeurs spelen een belangrijke rol bij het zichtbaar maken van succeservaringen en het ondersteunen van collega’s die nog twijfelen. Tegelijkertijd benadrukt Femke dat digitalisering geen individuele inspanning mag blijven. Daarom stelt zij dat het juist een teamaangelegenheid moet worden.
Binnen Buurts wordt dan ook bewust gekozen voor een teambenadering. Wijkteams selecteren samen digitale modules waarmee zij willen werken, in plaats van alle 300 beschikbare modules te leren kennen: een beperkte set die aansluit bij hun doelgroep en bij de inwoners van de betreffende wijk. Deze aanpak verlaagt de drempel voor professionals en vergroot tegelijkertijd het eigenaarschap binnen het team. Teamleiders spelen hierin een sleutelrol door het onderwerp regelmatig terug te laten komen in het teamoverleg en successen zichtbaar te maken.
Het uiteindelijke doel is dat digitale ondersteuning niet meer wordt gezien als een tijdelijk project, maar als een onlosmakelijk verbonden onderdeel van de individuele ondersteuning. Volgens Femke ontstaat duurzame verandering vooral wanneer het hele team de nieuwe werkwijze omarmt: “Ik denk dat het juist heel mooi is als je dat met je team echt gaat omarmen: dit gaan wij gewoon inzetten vanaf het eerste contactmoment.”
Conclusie
De ervaringen van Buurts laten zien dat succesvolle digitale transformatie in het sociaal domein veel verder gaat dan het beschikbaar stellen van technologie. De belangrijkste aandachtspunten zijn dat organisaties moeten denken vanuit digitaal eerst, dat digitale hulpmiddelen een onderdeel van het primaire proces moeten worden, dat professionals en inwoners een traject samen moeten doorlopen, en dat implementatie alleen duurzaam is wanneer het een teamaangelegenheid wordt.
Zoals Femke treffend samenvat: het gaat uiteindelijk niet om de technologie zelf, maar om de waarde die zij toevoegt voor inwoners én professionals. Wanneer digitale ondersteuning goed wordt ingebed, ontstaat meer inzicht, meer zelfregie, meer structuur in begeleiding en uiteindelijk een toekomstbestendige vorm van ondersteuning binnen het sociaal domein.