Afhankelijkheid van grote technologiebedrijven beperkt de digitale vrijheid van organisaties en kan maatschappelijke risico’s opleveren. De Free en Open Source Software (FOSS)-gemeenschap waarschuwt hier al jaren voor. Sinds kort groeit ook in politiek en bestuur het besef dat deze afhankelijkheid problematisch kan zijn. In de zorgsector blijft het debat echter relatief stil. Vera Molenaar en Victor van Reijswoud betogen in de aankomende editie van ICT&health dat digitale autonomie en digitale soevereiniteit echter belangrijke voorwaarden zijn voor goede zorg.
Volgens de auteurs vormt een digitale strategie de ruggengraat van de ICT binnen elke organisatie. Die strategie moet nauw aansluiten bij de bredere organisatiestrategie, die missie, visie en kernwaarden omvat. De digitale strategie bepaalt welke technologie, mensen en processen nodig zijn om de doelen van de organisatie te realiseren. Dat geldt voor commerciële organisaties en overheden, maar zeker ook voor zorginstellingen.
Goede afstemming
Een belangrijk uitgangspunt in de zorg is dat behandeling zoveel mogelijk wordt afgestemd op de behoeften van patiënten én op die van de samenleving. Zorgprofessionals moeten, binnen afgesproken kaders, de vrijheid hebben om keuzes te maken die aansluiten bij de situatie van de patiënt.
De auteurs spreken in dit verband van professionele autonomie: zorgverleners moeten kunnen handelen zonder buitensporige afhankelijkheid van externe partijen die andere belangen of prioriteiten hebben. Dat geldt ook voor het digitale domein.
In de praktijk blijkt die autonomie soms beperkt. Wanneer een zorgorganisatie bijvoorbeeld een nieuwe functionaliteit in een elektronisch patiëntendossier nodig heeft, kan een leverancier besluiten dat deze ontwikkeling onvoldoende prioriteit heeft of economisch niet aantrekkelijk is. De zorgorganisatie kan dan alleen tegen hoge kosten maatwerk laten ontwikkelen of moet wachten totdat meerdere klanten dezelfde behoefte hebben. Dat kan tot onwenselijke situaties leiden.
Kwetsbaarheid
Het recente publieke debat toont volgens de auteurs hoe kwetsbaar de digitale infrastructuur van publieke organisaties kan zijn. Veel systemen zijn afhankelijk van internationale technologiebedrijven. Daardoor is de autonomie van organisaties kleiner dan vaak wordt aangenomen.
In dat kader wordt steeds vaker gesproken over digitale soevereiniteit: het vermogen van overheden en publieke instellingen om controle en zeggenschap te houden over hun digitale systemen, processen en data. Digitale autonomie – het vermogen om zelfstandig keuzes te maken – vormt daarbij een belangrijke bouwsteen.
Groeiende afhankelijkheid
Veel zorginstellingen zijn voor hun digitale infrastructuur afhankelijk van grote commerciële, vaak buitenlandse, ICT-bedrijven. Dat brengt risico’s met zich mee. Als de toegang tot essentiële systemen wordt beperkt of afgesloten, kan een organisatie ernstig worden ontregeld.
Volgens de auteurs is deze situatie mede ontstaan doordat ICT lange tijd onvoldoende strategische aandacht kreeg. In veel organisaties werd het domein ondergebracht bij het financiële management of bij bestuurders zonder specifieke digitale expertise. Tegelijkertijd waren zorgprofessionals vaak slechts beperkt betrokken bij ICT-beslissingen.
Koers heroverwegen
Om digitale autonomie en soevereiniteit te versterken, pleiten de auteurs voor een heroverweging van de digitale strategie in de zorg. Daarbij kan open source software een belangrijke rol spelen. In zulke systemen is de broncode vrij beschikbaar en kan deze worden aangepast aan veranderende wetgeving, werkwijzen en behoeften van zorgverleners.
Volgens de auteurs moeten zorgbesturen, ICT-verantwoordelijken en professionals opnieuw met elkaar in gesprek over de vraag of hun digitale strategie nog in lijn is met de maatschappelijke opdracht van de zorg. De Nederlandse overheid en Europese Unie kunnen voorwaarden scheppen waardoor organisaties eenvoudiger kunnen kiezen voor digitale oplossingen die autonomie en soevereiniteit versterken.
Lees het hele artikel in editie 2, 2026 van ICT&health, die op 10 april verschijnt.