Nederland staat voor een enorme transformatie van de zorg. We verwachten meer preventie, meer digitale en hybride zorg, meer zelfmanagement, meer zorg thuis en vooral: voorkomen dat patiënten onnodig terechtkomen in de steeds duurdere tweede lijn. In vrijwel al die plannen speelt één zorgprofessional een sleutelrol: de huisarts.
Juist daarom is de al jarenlang slepende strijd tussen huisartsen en de Nederlandse Zorgautoriteit over de bekostiging van de huisartsenzorg zo te betreuren én en zorgelijk. Niet alleen vanwege de tarieven zelf, maar inmiddels ook vanwege een fundamenteler vraagstuk: hoe gaan overheid en toezichthouder om met professionals die essentieel zijn voor het functioneren van ons zorgstelsel – en met een definitieve uitspraak van onze hoogste bestuursrechter?
Spilfunctie van het zorgstelsel
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) deed op 18 november 2025 een opvallend duidelijke uitspraak over de huisartsentarieven. De NZa had volgens het College onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde tarieven de redelijke kosten van huisartsenzorg dekten. De rechter wees onder meer op de huisvestingsproblematiek, de waardering van de praktijkhoudende huisarts en de manier waarop diens arbeidsinzet in de tarieven werd verwerkt.
Maar minstens zo belangrijk is de principiële constatering van het CBb over de positie van de huisarts. Het College spreekt, terecht, over de poortwachtersfunctie als een spilfunctie in het Nederlandse zorgstelsel.
De huisarts voorkomt dat iedere gezondheidsvraag automatisch een ziekenhuisvraag wordt. Hij of zij behandelt, begeleidt, relativeert, signaleert en verwijst alleen wanneer dat nodig is. Daarmee beschermt de huisarts niet alleen de patiënt, maar ook de capaciteit en betaalbaarheid van ziekenhuiszorg. Wie serieus werk wil maken van passende zorg en zorg dichter bij huis, kan dus niet om een sterke huisartsenzorg heen.
Rechterlijke uitspraak meer dan advies
Het CBb bepaalde dat de NZa binnen een half jaar opnieuw over de tarieven voor 2023, 2024 en 2025 moest beslissen. De uitspraak was definitief. Die termijn verstreek op 18 mei 2026. De NZa publiceerde het nieuwe besluit uiteindelijk op 30 juni.
Maar belangrijker dan die termijnoverschrijding is wat daarna inhoudelijk gebeurde. Op één belangrijk punt kwam de NZa de huisartsen tegemoet. De vergoeding voor huisvesting werd aanzienlijk verhoogd. Dat is relevant, omdat veel praktijken letterlijk uit hun jas zijn gegroeid. Wie meer taken vanuit het ziekenhuis naar de eerste lijn wil verplaatsen, heeft immers niet alleen meer digitale mogelijkheden nodig, maar ook behandelkamers, personeel en passende huisvesting.
Op andere essentiële punten koos de NZa echter vooral voor een uitgebreidere onderbouwing van de bestaande systematiek. De waardering van de arbeidskosten van praktijkhoudende huisartsen bleef uiteindelijk ongewijzigd.
De LHV vat haar kritiek daarop kernachtig samen: de NZa kiest voor ‘uitleg in plaats van herstel’. Of het nieuwe besluit juridisch opnieuw tekortschiet, zal uiteindelijk opnieuw door de rechter moeten worden beoordeeld. Daar moeten we niet op vooruitlopen. Bestuurlijk mogen we er echter wél iets van vinden.
Wanneer de hoogste bestuursrechter een toezichthouder corrigeert op zulke fundamentele punten, mag worden verwacht dat niet alleen wordt gezocht naar een betere juridische onderbouwing van de bestaande uitkomst, maar ook zichtbaar wordt onderzocht of het onderliggende model zelf moet veranderen.
Verhoudingen zijn verhard
Daarom zijn recente uitspraken van NZa-bestuursvoorzitter Geranne Engwirda opmerkelijk. Zij zegt dat zij wakker heeft gelegen van het conflict met de huisartsen. Dat geloof ik onmiddellijk. De verhoudingen zijn inmiddels behoorlijk verhard.
Maar haar redenering dat de voortdurende rechtszaken het moeilijk maken om met huisartsen het inhoudelijke gesprek te voeren en samen aan toekomstgerichte zorg te werken? Die schuurt.
Want waarom stappen huisartsen naar de rechter? Niet omdat zij geen gesprek willen voeren, maar omdat zij het oneens zijn met besluiten van de instantie die hun maximumtarieven vaststelt. En in november 2025 kregen zij op wezenlijke punten gelijk van de hoogste bestuursrechter. Wie vervolgens constateert dat een nieuwe rechtszaak ‘verbinding’ in de weg staat, dreigt oorzaak en gevolg om te draaien.
Rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is geen hinderlijke onderbreking van bestuurlijke samenwerking. Het is onderdeel van onze rechtsstaat. Voor een onafhankelijk bestuursorgaan als de NZa geldt misschien zelfs een zwaardere verantwoordelijkheid. Juist een toezichthouder moet uitstralen dat toetsing door de rechter niet wordt ervaren als een belemmering, maar als een essentieel correctiemechanisme.
Zorgtransformatie begint bij vertrouwen
Dit heeft ook directe impact op digitalisering en innovatie. Van huisartsen verwachten we de komende jaren nogal wat. Digitale triage, telemonitoring, gegevensuitwisseling, populatiemanagement, preventie, samenwerking met het sociaal domein, het begeleiden van zelfmanagement en het verantwoord toepassen van AI zullen steeds meer onderdeel worden van de eerste lijn.
Daarvoor zijn technologie en standaarden noodzakelijk, maar niet voldoende. Zorgtransformatie vraagt ook ondernemerschap, investeringsruimte en vooral vertrouwen.
Een praktijkhouder moet personeel durven aannemen. Ruimere praktijkruimte kunnen huren of laten bouwen. Investeren in digitale infrastructuur. Tijd vrijmaken voor samenwerking in de regio. En jonge huisartsen moeten überhaupt nog bereid zijn de verantwoordelijkheid van een eigen praktijk op zich te nemen.
Dat lukt niet wanneer praktijkhouderschap steeds meer wordt ervaren als het op je nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid zonder voldoende invloed op de voorwaarden waaronder die verantwoordelijkheid moet worden uitgevoerd.
Meer geld niet het doel
Daarmee moeten we deze discussie ook niet reduceren tot de simpele vraag of huisartsen ‘meer geld’ moeten krijgen. Dat is te gemakkelijk. De relevante vraag is hoeveel huisartsenzorg Nederland nodig heeft om ziekenhuiszorg toegankelijk en betaalbaar te houden, welke taken we aan die huisarts willen toevertrouwen en welke mensen, middelen, huisvesting en digitale infrastructuur daarvoor noodzakelijk zijn. Dááruit moet een passende bekostiging volgen. Niet andersom.
Ook de NZa zelf noemt huisartsenzorg het fundament van ons zorgsysteem. Dat schept verplichtingen. Een fundament kun je niet steeds zwaarder belasten en tegelijkertijd vooral discussiëren over hoeveel het minimaal mag kosten.
Tijd voor herstel van vertrouwen
De huisartsenzorg, NZa, zorgverzekeraars en overheid hebben elkaar de komende jaren harder nodig dan ooit. De grote uitdagingen in de zorg kunnen onmogelijk vanuit Den Haag, vanuit ziekenhuizen of vanuit technologie alleen worden opgelost. Daarom moet deze juridische strijd worden beëindigd.
Maar niet door huisartsen te vragen minder vaak naar de rechter te stappen. De beste manier om procedures te voorkomen is zorgen dat besluiten uitlegbaar, uitvoerbaar en rechtvaardig zijn en dat definitieve rechterlijke uitspraken niet alleen naar de letter, maar ook naar hun betekenis worden verwerkt.
De NZa heeft nu een kans om het gesprek opnieuw te openen. Niet vanuit de vraag wie juridisch gelijk heeft, maar vanuit een veel belangrijkere vraag: welke huisartsenzorg heeft Nederland over tien jaar nodig en wat moeten we vandaag organiseren om die mogelijk te maken?
Daar horen passende tarieven bij. Maar ook goede huisvesting, minder bureaucratie, digitale ondersteuning die werkelijk ontlast en waardering voor praktijkhouderschap. Want wie echt gelooft dat de huisarts het fundament van ons zorgstelsel is, moet meer doen dan dat in beleidsstukken en persberichten opschrijven.
Dan moet je ernaar handelen. Practice what you preach...!