Slaaptrackers in de vorm van apps, smartwatches en ringen zijn voor miljoenen mensen een vast onderdeel van hun dagelijkse routine. Apparaten zoals de Apple Watch, Fitbit en Oura Ring beloven inzicht in slaapkwaliteit, slaapfasen en herstel. Maar experts benadrukken dat deze technologieën slaap niet direct meten. In plaats daarvan leiden ze slaap af uit signalen zoals hartslag en beweging. Dat roept vragen op over de betrouwbaarheid van de data en hoe gebruikers de informatie moeten interpreteren.
De markt voor slaaptrackers groeit snel. In de Verenigde Staten was deze in 2023 goed voor circa 5 miljard dollar en de omzet zal naar verwachting verdubbelen richting 2030. Volgens onderzoekers is het daarom essentieel dat gebruikers begrijpen wat deze technologie wel en niet kan betekenen voor hun gezondheid.
Indirecte metingen, slimme algoritmen
Volgens Daniel Forger, hoogleraar wiskunde aan de University of Michigan, werken de meeste slaaptrackers volgens hetzelfde principe. Ze registreren beweging en hartslag in rust en gebruiken algoritmen om te bepalen of iemand slaapt. Die algoritmen zijn inmiddels zeer nauwkeurig in het vaststellen van het moment waarop iemand in slaap valt en wakker wordt. Het onderscheiden van slaapfasen, zoals REM- en non-REM-slaap, lukt redelijk, maar blijft minder precies dan met slaaponderzoek in een gespecialiseerd slaaplab.
Wie exact wil weten hoe de slaaparchitectuur eruitziet, is volgens Forger beter af met klinisch onderzoek. Tegelijkertijd ziet hij duidelijke meerwaarde in wearables, juist omdat ze slaap zichtbaar en bespreekbaar maken.
Focus op trends, niet op scores
Neuroloog Chantale Branson van de Morehouse School of Medicine ziet in haar praktijk steeds vaker patiënten die hun slaapdata meenemen naar het consult. Daarbij ligt de focus vaak op details, zoals het aantal minuten REM-slaap in één specifieke nacht. Dat is volgens haar niet de juiste benadering. Slaaptrackers zijn vooral geschikt om trends over langere tijd te signaleren, niet om conclusies te trekken op basis van één nacht.
Branson benadrukt dat wearables geen verklaring geven voor slaapproblemen. Ze adviseren niet waarom iemand slecht slaapt en vervangen geen klinische beoordeling. Ze pleit ervoor om meer aandacht te besteden aan slaaphygiëne, zoals vaste bedtijden, minder schermgebruik voor het slapengaan en een comfortabele slaapomgeving. Wie zich zorgen maakt over zijn slaap, kan beter eerst een zorgprofessional raadplegen dan investeren in nieuwe technologie.
Gedragsverandering als meerwaarde
Tegelijkertijd laten praktijkvoorbeelden zien dat slaapdata wél kunnen bijdragen aan gezondere keuzes. Gebruikers herkennen patronen, zoals slechter slapen na alcoholgebruik of laat eten, en passen hun gedrag daarop aan. In die zin functioneren slaaptrackers als feedbackinstrument dat bewustwording stimuleert.
Maar er is ook een keerzijde. Sommige gebruikers raken juist gefixeerd op hun slaapcijfers, een fenomeen dat bekendstaat als ‘orthosomnia’. De drang om elke nacht een hoge score te behalen kan stress veroorzaken en daarmee de slaap juist verslechteren. Branson ziet dit vooral bij mensen die hun scores vergelijken met anderen of specifieke doelen stellen voor slaapfasen, terwijl slaapbehoeften sterk individueel verschillen.
Van inzicht naar voorspelling
Forger verwacht dat de grootste potentie van wearables nog moet komen. Lopend onderzoek wijst erop dat veranderingen in slaapritmes vroegtijdig kunnen wijzen op infecties, depressie of terugval bij psychische aandoeningen. Vooral in omgevingen met beperkte toegang tot zorg kunnen wearables een rol spelen bij vroege signalering en monitoring op afstand.
Volgens Forger staat de technologie aan het begin van een bredere ontwikkeling, waarin beter begrip van slaapritmes en slaapstructuur niet alleen individuele gebruikers helpt, maar ook kan bijdragen aan preventie en gepersonaliseerde zorg. De sleutel ligt daarbij niet in perfecte metingen, maar in het verstandig en contextueel gebruiken van de data.