De coronacrisis en de toekomst van e-health
Om onderstaande en alle andere premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
U kunt nog {free_articles_left} premium artikel gratis lezen. Om meer premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
Nederland is nooit een koploper geweest in de toepassing van e-health, ondanks de grote inspanningen die het ministerie van VWS en veldpartijen zich jarenlang hebben getroost om dat juist wel te worden. Corona heeft hierin voor een verandering gezorgd die niemand voor mogelijk had gehouden: digitaal patiëntcontact is in veel geledingen van de zorg ineens de norm in plaats van de uitzondering. Welke lessen trekken we daaruit voor de toekomst?
Zowel Marcel Heldoorn (manager digitale zorg bij Patiëntenfederatie Nederland) als Danny Mekić (technologie- en innovatie-expert) vinden het wel begrijpelijk dat e-health in Nederland nog niet op grotere schaal vaste grond onder de voeten heeft gekregen.
“We hebben veel dingen in de zorg al goed voor elkaar in Nederland”, zegt Heldoorn. “Daardoor werd de behoefte niet zo gevoeld. De behandelaars zagen dat de wachtkamers iedere dag vol zitten en dachten dus: waarom zou ik het anders gaan doen? En de patiënten zijn eraan gewend dat ze in die wachtkamers vaak best lang zitten te wachten en dat ze ook voor kleine dingen toch fysiek naar de huisartspraktijk of het ziekenhuis moeten. Dingen die we nergens in de maatschappij zouden accepteren, maar die we in de zorg normaal vinden. Die twee zaken versterken elkaar. De artsen zijn terughoudend om e-health aan te bieden en de patiënten vragen er ook niet zo naar.”
Daar komen nog een paar dingen bij, vult Mekić aan. “De noodzaak tot toepassing van e-health is ontstaan in de Verenigde Staten, waar voor veel mensen de afstand tot een arts vrij groot is. Het begon met een afsluitbare capsule in de apotheek waarmee de arts op afstand de patiënt kon controleren.”
Hier in Nederland is overal op kleine afstand een huisartspraktijk te vinden en zijn er veel ziekenhuizen. De behoefte is dus minder groot, meent Mekić. “Bovendien zijn we erg gesteld op onze privacy en brengt de toepassing van e-health privacy-vraagstukken met zich mee. En we hebben slimme en onafhankelijke dokters. Geen makke schapen, maar slimme professionals die bij iedere nieuwe toepassing kijken of die voldoende meerwaarde heeft. Ook die twee dingen hebben een remmend effect op de toepassing van e-health.”
Maar toen was daar dus ineens de coronacrisis en werd e-health in no time bestempeld tot ‘het nieuwe normaal’. Direct contact tussen patiënt en zorgverlener werd beperkt tot het absolute minimum en maakte plaats voor Teams, Zoom, Facetime en andere digitale toepassingen. Een ontwikkeling die onder zorgprofessionals leidde tot drie bewegingen.
De eerste was die van de relatief kleine groep zorgprofessionals die e-health al wel eerder omarmd had en zich nu bevestigd zag in zijn gelijk. De tweede was die van de professionals die constateerden: ‘Goh, dit is toch wel handig en dit moeten we dus veel meer gaan gebruiken’. De derde groep stelde: ‘Nu moet het door de omstandigheden even. Maar dat geeft de overheid en de zorgverzekeraars niet het recht om het ons door de strot te duwen als de situatie straks weer normaal is’.
Wat verwacht Mekić dat er nu gaat gebeuren? “De mogelijkheden van e-health zijn heel lang vooral benaderd vanuit de techniek in plaats van vanuit de behoefte”, zegt hij. “Ontwikkelaars vragen zich dan af waarom niemand hun toepassing wil gebruiken. Nu is door de coronacrisis een nieuwe behoefte ontstaan en het is zeker denkbaar dat die ook na de crisis voor een deel blijft bestaan. Je moet het een keer geprobeerd hebben. Mensen vinden elektrisch rijden ook niets tot ze een keer in een Tesla hebben gezeten. Gebruik creëert behoefte.”
Sjaak Nouwt, adviseur gezondheidsrecht bij de KNMG, kan eigenlijk niet wachten om te zien wat de versnelde toepassing van e-health door de coronacrisis op de langere termijn gaat brengen. “Al ruim tien jaar geleden zijn we samen met de Patiëntenfederatie en Zorgverzekeraars Nederland de Nationale Implementatie Agenda (NIA) voor e-health gestart om barrières voor e-health weg te nemen, zodat dit een normaal onderdeel van de zorg zou worden. Het Informatieberaad Zorg heeft die rol inmiddels goeddeels overgenomen. Als KNMG volgen wij de ontwikkelingen nog wel vanuit ‘de tweede ring’. Ik volg vooral de juridische aspecten.”
Door de coronacrisis staat Nederland nu ineens op een keerpunt: e-health is voor veel mensen lang een vrij abstract begrip gebleven en dat lijkt nu wel over. Natuurlijk zijn sommige coronamaatregelen tijdelijk, weet Nouwt. Zonder vooraf verleende uitdrukkelijke toestemming om gegevens van de patiënt in het huisartsendossier te laten raadplegen door de huisartsenpost en spoedeisende hulp bijvoorbeeld, is onder normale omstandigheden niet toegestaan en zal na de crisis ook zeker niet meer mogelijk zijn.
“Maar dit neemt niet weg dat andere e-healthtoepassingen, zoals beeldbellen, zeker een vaste plaats kunnen krijgen in onze zorg. Er spelen privacy- en beveiligingsissues, maar die zijn ook aangepakt door de komst van beveiligde beeldbeltoepassingen. Ik verwacht wel dat het een vaste plek krijgt, zeker wanneer het als een bewezen effectieve toepassing wordt gezien.”
Voor Heldoorn geldt hetzelfde. “Wat ons als Patiëntenfederatie betreft, zou het normaal moeten zijn dat je bij iedere zorgverlener ook digitaal terecht kunt. Het is dus zaak dat we de lessen van deze periode gebruiken om daarin de juiste stappen te zetten. Daar spelen wij ook een rol in. In aanvang stelden we ons zorgpanel de vraag hoe het met de reguliere zorg gaat en of patiënten ook een alternatief wordt geboden. In eerste instantie was dat alternatief telefonisch, nu is dat digitaal. De vervolgvraag die we nu uitzetten is of dit voor patiënten voldoet en of fysiek contact iets toevoegt. Ik denk dat patiënten, gezien de digitalisering op andere gebieden, het gemak ervan nu snel zijn gaan zien.”
Ondanks de snelle acceptatie nu is het wel zaak realistisch te blijven, waarschuwt Mekić: “We moeten nu niet ineens onze normen gaan verleggen. Het zou kunnen dat we e-health zo gemakkelijk gaan vinden dat we niet meer naar de huisarts willen. Maar je creëert met digitale zorg altijd enige vorm van privacy-inbreuk. We moeten niet voorbijgaan aan de waarde die patiënten toekennen aan de vertrouwensrelatie met hun arts. We moeten er dus nuchter in blijven staan. Het is duidelijk dat e-health een grotere rol zal blijven spelen in de zorg dan het voor de coronacrisis deed, maar het is niet verstandig er nu ineens ál te hooggespannen verwachtingen van te hebben. Begin daarom met de patiënt meenemen in de ontwikkelingen, leer eerst heel goed te begrijpen wat die wel en niet wil. De huidige situatie biedt daar de gelegenheid voor.”
“Als KNMG volgen we de ontwikkelingen, maar hebben onze handen vol aan andere zaken”, zegt Nouwt. “Bovendien zijn de huisartsen en medisch specialisten nu veel meer betrokken bij digitale zorg dan eerst. Daarmee ligt het meer voor de hand dat nu hun eigen beroepsverenigingen daarop inspelen dan dat wij dat als algemene artsenorganisatie voor álle groepen artsen doen.”
Heldoorn vult aan: “Wat nu in ieder geval niet gaat werken, is botte dwang door bijvoorbeeld overheid en zorgverzekeraars om e-health af te dwingen. We moeten de artsen en patiënten gewoon een keus geven. Een heel interessante keus, denk ik, want e-health is veel meer dan beeldbellen alleen. Het kan mensen ook aanzetten tot meer zelfzorg en eigen regie. Daarmee krijgt het voor de zorgprofessionals ook meerwaarde. Belangrijk hierbij is ook dat zorgverleners het paradigma loslaten dat het voor iedereen moet werken. Als e-health voor een grote groep patiënten een oplossing is, houden zorgprofessionals meer tijd over voor de patiënten voor wie persoonlijk contact echt meerwaarde heeft.”