‘Visie op digitale zorg is een must voor opschaling’
Om onderstaande en alle andere premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
U kunt nog {free_articles_left} premium artikel gratis lezen. Om meer premium artikelen te lezen, moet u inloggen of een account aanmaken.
Huisartsen Leonieke de Pont en Deborah Hilgeman kwamen tijdens de covid-periode vanaf 2020 voor het eerst op grote schaal in aanraking met wat later hybride zorg zou heten: digitale triage, videoconsulten. Hoewel het digitale aspect na de covid-crisis wat inzakte, is hybride zorg volgens De Pont en Hilgeman een blijvertje. De komende jaren hopen zij dat opschaling een kantelpunt zal bereiken. Om de werkdruk van huisartsen te beperken en hun werkplezier te behouden, maar ook patiënten sneller de juiste zorg te bieden.
Zo’n doorbraak moet onder meer gerealiseerd worden met platforms zoals van Medicinfo, waarvoor beide huisartsen parttime actief zijn. Voordeel van zo’n platform is dat het alle aspecten van digitale en fysieke zorg kan integreren. Juist de huidige fragmentatie van allerlei losse digitale toepassingen bovenop bestaande zorgprocessen belemmert opschaling van hybride zorg.
Spin in het web is bij Medicinfo het Medisch Service Centrum (MSC), waar ook De Pont en Hilgeman deel van uitmaken. Het MSC is een soort ‘hub’ waar digitale triage plaatsvindt en hulpvragen gerouteerd worden. “De verpleegkundigen die de triage uitvoeren, kunnen ervoor zorgen dat een patiënt sneller de juiste hulp krijgt,” benadrukt De Pont. “Zelfzorgadvies, een advies van de verpleegkundige, of alsnog doorschakelen naar een huisarts – bijvoorbeeld bij twijfel.”
Het is belangrijk voor opschaling om een echte visie te hebben op digitale zorg als onderdeel van het totaalplaatje, meent De Pont. “Bij Medicinfo zie je dat digitale en fysieke zorg al vanaf het begin goed geïntegreerd zijn. Zo vindt er een goede digitale triage plaats, wat direct een duidelijk beeld geeft van de ernst van de zorgvraag en de beste routering voor een patiënt. Gebruikers kunnen zelf bovendien beelden toevoegen. Vaak is dan een verder consult niet meer nodig, maar is een zelfzorgadvies genoeg. Dat werkt heel anders dan wanneer mensen eerst bellen en dan misschien per e-mail nog een foto sturen, waarna vaak toch nog een fysiek consult volgt.”
Een ander voordeel van Medicinfo als onderdeel van een hybride zorg-traject, is dat verpleegkundigen en huisartsen zoals De Pont en Hilgeman vanuit huis kunnen werken en toch volledig onderdeel van het zorgtraject uitmaken, met toegang tot alle benodigde gegevens. Dit maakt het ook makkelijker om aan personeel te komen, meent De Pont.
“Voor een huisarts die graag een dag per week thuis wil werken, is het makkelijker om die stap te zetten en zo behouden te blijven voor een praktijk, die ook aantrekkelijker is om voor te gaan werken. Bijvoorbeeld wanneer je als huisarts parttime wil werken, of zoals ik deels bij Medicinfo werkt. Zo kun je ook professionals die niet langer als huisarts willen werken, toch weer terug in het vak krijgen.”
Die vrijheid en ruimte kan het tekort aan huisartsen echt terugdringen, verwacht Hilgeman. “Daarnaast vind ik ook de digitale triage een echte verbetering. Hulpvragen gaan eerst naar verpleegkundigen, waarna de huisarts er eventueel nog een oordeel aan toevoegt. Dit garandeert zorgvuldigheid en maakt het mogelijk om tot 70-75 procent van alle vragen digitaal af te handelen. In de avonden en weekenden kan deze aanpak voor een HAP ook een enorme vermindering van het aantal spoedconsulten zorgen. En voor patiënten kan het een groot voordeel zijn om buiten hun werkuren een hulpvraag via bijvoorbeeld chat te stellen.”
'Goede digitale triage geeft direct een duidelijk beeld van de ernst van de zorgvraag'
Mensen zien hun hulpvraag eerder en beter afgehandeld, schetst De Pont. Ze hoeven niet lang aan de telefoon te hangen – bij een HAP kan de wachttijd tot 2 uur oplopen – en hebben eerder een advies of benodigde medicatie. “De Medicoo-app en andere digitale platformen die Medicinfo ontwikkelt als onderdeel van onze dienstverlening, zijn meertalig en de chats worden automatisch vertaald, wat onder meer bij toeristen, arbeidsmigranten en vluchtelingen een duidelijke meerwaarde heeft. Zo wordt veel sneller duidelijk wat de hulpvraag is dan wanneer dit met wat woorden Engels aan de telefoon gebeurt. Dit biedt zowel patiënt als zorgverlener grote voordelen.”
Natuurlijk is het wel nodig om de mogelijkheden om digitaal een zorgvraag te stellen zoals via een app onder de aandacht te brengen. Via de portalen van huisartsen, aan de telefoon in gesprek met assistenten, in de praktijk zelf. Ook zorgverzekeraars hebben hier een rol in, meent Hilgeman, door in hun communicatie te wijzen op de hybride zorg-apps en de voordelen ervan. Inmiddels groeit de bekendheid van digitale zorgapps en helpt ook mond-tot-mond reclame al mee.
“In bepaalde regio’s zoals Zeeland, waar zeker in de zomer een flink deel van de populatie uit Duitse toeristen bestaat, wordt ook in het Duits op het bestaan van de Medicoo-app gewezen waar deze al in 2020 werd geïntroduceerd,” stelt De Pont. “Een eerste keer belt men dan nog naar de praktijk, of bezoekt men een praktijk. Een volgende keer kunnen ze dan de app gebruiken voor het eerste contact, of misschien zelfs al die eerste keer.”
Huisartsenpraktijken en HAP’s maken deel uit van wat Medicinfo netwerkzorg noemt – een bundeling van eerstelijnszorg en het streven naar steeds meer gebundelde eerste- en tweedelijnszorg. Een MSC zoals van Medicinfo kan daarin een soort netwerkschil vormen. Deze ambitie van Medicinfo wordt geleidelijk aan verder in de praktijk gebracht, vertelt De Pont.
“Denk aan een HAP met meerdere locaties, die hun dienstverlening met die van ons geïntegreerd hebben. Dat vangt heel veel hulpvragen af die anders tot een fysiek consult geleid zouden hebben. En zeker in gebieden waar men met tekorten aan personeel zit, is het van toegevoegde waarde dat Medicinfo hulpvraag kan opvangen, van triage tot en met digitale consulten.”
Hetzelfde geldt voor hagro’s (samenwerkingsverband tussen huisartsenpraktijken in een regio voor waarneming bij afwezigheid, kwaliteitsbeleid, intervisie, en overleg over lokale zorgzaken). De Pont: “Zeker wanneer er groepen bij komen zoals eerdergenoemde toeristen, of vluchtelingen, kun je die via samenwerking met Medicinfo spreiden over de hele groep praktijken met ons MSC als achtervang. Alleen als een fysiek consult echt nodig is, kun je deze mensen sturen daar waar er plek is.”
Dokterswacht Friesland is een concreet voorbeeld. De inzet van Medicinfo heeft hier volgens Pont geleid tot minder werkdruk, terwijl zowel zorgprofessionals als patiënten tevreden zijn. “En in Dordrecht hebben we een dagpraktijk voor Oekraïense vluchtelingen die spoedgevallen vanaf 14 of 15 uur doorstuurt naar andere praktijken. Dat gebeurt allemaal via Medicinfo. Ook hier zie je dat de werkdruk daalt, omdat deze groep hulpvragers niet zelf meer naar een te drukke praktijk ging, of hun vragen opspaarden en dan ermee naar de HAP gingen. Deze spreiding van de hulpvraag – in locatie, in tijd – zorgt voor veel meer efficiency zonder dat het de kwaliteit van de zorg vermindert.”
Meer bekendheid onder huisartsen en andere eerstelijnsprofessionals is belangrijk om in steeds meer regio’s tot de gewenste netwerkzorg te komen, meent De Pont. Denk aan congressen over zorg en digitalisering, waar huisartsen en bestuurders kennis kunnen maken met de voordelen van digitale en hybride zorg. Hilgeman denkt dat het ook helpt om een platform zoals Medicinfo vaker te koppelen aan het HIS, zodat gegevensuitwisseling en daarmee afhandeling van zorgvraag veel eenvoudiger wordt.
“Verder zou het helpen wanneer er meer focus komt op hybride mogelijkheden voor chronische zorg: denk aan het automatisch in het medisch dossier toevoegen van zelfmetingen, waarbij er bij afwijkende waarden direct een signaal wordt afgegeven. Dit zie je nu al bij diabetici die in het ziekenhuis behandeld worden, maar het zou veel breder kunnen, ook in de eerstelijnszorg. Dit vergroot de noodzaak van netwerkzorg zoals Medicinfo die ambieert. En de mogelijkheden zijn er al.”
Maar er is meer nodig, beseffen De Pont en Hilgeman. Uitgangspunt is meer en betere samenwerking tussen alle zorgpartijen, zorgketens. Een goed ICT-fundament. Meer toegankelijk maken van digitale platforms, hybride zorgpaden ontwerpen zodat mensen vanaf het nulpunt een digitale ingang hebben, al vanaf het verkrijgen van een herhaalrecept. Meer standaardisatie ook. De overheid is nu bezig met het neerzetten van een raamwerk hiervoor: van gegevensuitwisseling naar databeschikbaarheid.
“Er is hoe dan ook nog een hoop werk te verzetten om te komen tot netwerkzorg”, stelt De Pont tot slot. “Databeschikbaarheid en meer samenwerking tussen zorgpartijen is belangrijk. Maar ook moet er goed gekeken worden naar wat er wettelijk mogelijk is. Tijdens covid konden we bijvoorbeeld tijdelijk digitaal medicatie voorschrijven, maar later werd dat weer teruggedraaid. Goede, duidelijke wetgeving om digitale en hybride zorgpaden te ondersteunen, is zo ontzettend belangrijk, zodat iedereen weet waar men aan toe is.”