De discussie over de toekomst van de gezondheidszorg gaat vaak over de vraag hoe we met minder mensen meer zorg kunnen leveren. AI moet professionals productiever maken, digitale consulten moeten fysieke afspraken vervangen en thuismonitoring moet ziekenhuisbezoeken voorkomen. Allemaal zaken die ook moeten gebeuren. Maar de fundamentelere vraag is: hoe zorgen we ervoor dat burgers meer grip krijgen op hun eigen gezondheid, zodat professionele zorg minder vaak, later of gerichter nodig is? Deze vraag past ook in de actuele discussie over passende zorg, waar VWS-minister Hermans prioriteit aan geeft.
Wie van burgers meer regie verwacht, moet hen ook de instrumenten geven waarmee zij die regie daadwerkelijk kunnen voeren.
Eerder schreef ik in ICT&health over de visie van Martin van Rijn en Edwin Velzel. En over de ideeën van Richard Smith, voormalig hoofdredacteur van het British Medical Journal en tegenwoordig bestuursvoorzitter van Patients Know Best. Hun boodschap wijst in dezelfde richting: de houdbaarheid van onze gezondheidszorg vraagt om een andere verdeling van verantwoordelijkheden.
Een burger met een chronische aandoening ziet zijn arts misschien enkele uren per jaar. De overige ruim 8.700 uur maakt hij zelf keuzes over eten, bewegen, slapen, stress, medicatie en sociale contacten. Juist in die duizenden uren wordt voor een belangrijk deel bepaald hoe gezondheid zich ontwikkelt.
De volgende stap na ‘de patiënt centraal’ is daarom concreter: de burger faciliteren.
Regie vereist informatie
Zelf regie voeren zonder informatie is vrijwel onmogelijk. Wie autorijdt, beschikt voortdurend over een dashboard met snelheid, brandstofniveau, actieradius en waarschuwingen. Niemand zou accepteren dat die informatie maar één keer per jaar beschikbaar komt. Bij ons eigen lichaam vinden we momentopnamen echter heel normaal. We meten incidenteel de bloeddruk, krijgen soms laboratoriumuitslagen
en bezoeken een arts wanneer klachten ontstaan. Terwijl hartslag, bloeddruk, stressniveau, ademhaling, herstel en stofwisseling voortdurend veranderen. Juist de ontwikkeling in de tijd kan betekenisvol zijn. Een rusthartslag van 72 zegt op zichzelf weinig. Interessanter wordt het wanneer die gedurende enkele weken stijgt van 62 naar 72. Hetzelfde geldt voor bloeddruk, hartslagvariabiliteit, cholesterol of stress. Het patroon vertelt vaak meer dan het losse meetpunt.
Van foto naar film
Dat is ook de gedachte achter de nieuwe versie van de CheckMySelf-app. Met de smartphone kan de gebruiker in korte tijd verschillende vitale waarden en gezondheidsindicatoren meten of laten schatten, waaronder hartslag, hartslagvariabiliteit, ademhalingsfrequentie, bloeddruk, zuurstofsaturatie, stress en indicatoren rond cholesterol, Hb en HbA1c. Voor hartslag en ademhalingsfrequentie beschikt de gebruikte meettechnologie over FDA clearance. Dat maakt CheckMySelf als geheel niet tot een diagnostisch medisch hulpmiddel, maar vormt wel een belangrijke onderbouwing van de technologie waarop deze basismetingen zijn gebaseerd.
Belangrijker dan het aantal beschikbare waarden is dat gebruikers ze in de tijd kunnen volgen. In de Gezondheidsgrafieken worden opeenvolgende metingen weergegeven. Daarmee verandert meten van een foto in een film. Niet één afzonderlijke waarde staat centraal, maar de ontwikkeling ervan.
De relevante vraag wordt dan niet alleen: wat is mijn bloeddruk vandaag? Maar bijvoorbeeld: waarom is mijn rusthartslag al twee weken hoger? Herstelt mijn lichaam zichtbaar in het weekend? Wat gebeurt er met mijn stressniveau wanneer ik beter slaap? Verandert mijn hartslagvariabiliteit wanneer ik vaker beweeg? Ontwikkelen mijn stofwisselingsindicatoren zich in een gunstige richting?
De app volgt daarbij een eenvoudige lijn: eerst een persoonlijke uitgangswaarde vastleggen, daarna opnieuw meten en vergelijken en vervolgens de trend volgen.
Geen dokter in uw broekzak
Meer eigen regie betekent niet dat burgers hun eigen arts moeten worden. CheckMySelf is bijvoorbeeld niet bedoeld om zelfstandig diagnoses te stellen of behandelingen voor te schrijven. Een afwijkende trend is geen diagnose, maar informatie. Die informatie kan aanleiding zijn om opnieuw te meten, aandacht te besteden aan slaap, beweging of stress, of het gesprek aan te gaan met een coach, huisarts of andere zorgprofessional.
Diagnostiek, behandeling en medische besluitvorming blijven het domein van bevoegde professionals. De kracht van digitale zelfmeting zit juist in beter gefundeerde gesprekken. De app vervangt de arts niet; hij kan de burger helpen betere vragen aan de arts te stellen.
Metingen hoeven bovendien niet opgesloten te blijven op de telefoon. De gebruiker kan ze delen met bijvoorbeeld een zorgprofessional, coach, mantelzorger of familielid. Dat past bij echte regie: zelf bepalen wat u volgt, wanneer u ondersteuning wilt en met wie u informatie deelt. Dat is ook relevant omdat niet iedereen even digitaal vaardig is en de verschillen in gezonde levensjaren tussen sociaaleconomische groepen groot zijn. Eigen regie betekent daarom niet: zoek het zelf maar uit. Technologie moet samenwerking tussen burger, sociale omgeving en professional juist ondersteunen.
Van meten naar begrijpen
Meer data produceren is niet hetzelfde als meer regie geven. Tien waarden op een scherm kunnen onzekerheid vergroten wanneer de gebruiker niet begrijpt wat hij ziet. Digitale gezondheidszorg moet daarom niet alleen meten, maar vooral vertalen: wat betekent een waarde, hoe verhoudt die zich tot eerdere metingen, is er sprake van een stabiel patroon of een verandering, en wanneer is het verstandig iets te doen? Daarom kun je vanuit CheckMySelf direct naar de uitstekende door huisartsen en medisch specialisten samengestelde website www.thuisarts.nl.
Mensen hebben niet nóg meer getallen nodig. Zij willen begrijpen wat hun lichaam hun probeert te vertellen. Daar ligt ook een bredere opdracht voor de gezondheidszorg. De afgelopen twintig jaar hebben we vooral geïnvesteerd in systemen waarmee professionals ziekte registreren, behandelen, declareren en informatie uitwisselen. De komende jaren moeten we minstens zoveel aandacht besteden aan technologie waarmee burgers gezondheid kunnen organiseren. Of zoals Richard Smith het stelt: de gezondheidszorg moet veranderen van een systeem waarin patiënten behandelingen ondergaan naar een systeem waarin burgers, samen met hun omgeving, zelf de regie over hun
gezondheid voeren. Niet omdat dat ideologisch aantrekkelijk klinkt, maar omdat de maatschappelijke werkelijkheid ons daartoe dwingt.
Persoonlijke gezondheidsomgevingen, thuismetingen, wearables, AI, digitale coaching en sociale netwerken kunnen daarin samenkomen. De burger wordt dan niet alleen ontvanger van informatie uit de zorg, maar een actieve deelnemer die zelf gegevens verzamelt, ontwikkelingen volgt en relevante informatie deelt. CheckMySelf is daarvan één concreet voorbeeld. Het illustreert de omslag: van incidenteel meten naar continu leren, van losse data naar patronen en van patiënt zijn naar meer regie over gezondheid.
Begin met luisteren
Ons lichaam produceert iedere dag signalen over inspanning en herstel, stress en rust, conditie en verandering. Technologie maakt het steeds eenvoudiger om die signalen zichtbaar te maken.
De echte innovatie begint pas wanneer mensen begrijpen wat veranderingen betekenen en die kennis gebruiken om bewustere keuzes te maken – eventueel samen met familie, een coach of een zorgprofessional. Daarmee lossen we het personeelstekort niet morgen op en voorkomen we niet iedere ziekte. Maar wanneer veel burgers beter leren begrijpen hoe hun gezondheid zich ontwikkelt, eerder veranderingen herkennen en beter voorbereid het gesprek met een professional aangaan, kan het effect aanzienlijk zijn.
De discussie over de toekomst van de gezondheidszorg gaat dus niet alleen over de vraag hoe we met minder mensen meer zorg kunnen leveren, maar vooral ook hoe we burgers ondersteunen om hun lichaam beter te leren begrijpen en de technologie beschikbaar te stellen die hen daarbij ondersteunt.