We praten in de zorg graag over AI alsof het de grote doorbraak is die alles gaat veranderen. Minder werkdruk, betere zorg, meer tijd voor de patiënt. De belofte is bekend. Maar op de werkvloer gaat het zelden over ‘AI’. Daar gaat het over iets veel simpeler: Waar staat dat protocol?
Uit een recent mProve Funxlab-onderzoek blijkt dat zorgverleners meerdere keren per dienst protocollen opzoeken en dat dit nog verrassend vaak omslachtig is. Een paar minuten zoeken lijkt op zich onschuldig, maar al die ‘paar minuten’ stapelen zich razendsnel op.
En ondertussen staat de zorg niet stil. Daar zie ik de echte kans van AI. Niet in de hype, maar in het oplossen van dit soort alledaagse fricties.
Geen technologie- maar werkprobleem
Wie denkt dat dit een IT-vraagstuk is, kijkt verkeerd. Het probleem is niet dat protocollen er niet zijn, het probleem is dat ze niet direct beschikbaar zijn op het moment dat het ertoe doet.
En daar ontspoort het vaak met AI-initiatieven. We bouwen slimme tools, maar plaatsen die buiten het primaire zorgproces, achter extra inlogstappen of als losse applicatie ‘ernaast’. Met als gevolg: de zorgverlener moet nóg een stap zetten. En iedere extra stap is er één te veel.
Wat werkt: radicaal dichtbij organiseren
De les uit de praktijk is eigenlijk pijnlijk eenvoudig. AI werkt alleen als het onzichtbaar goed geïntegreerd is in het werkproces. Dat betekent: geen zoeken, maar direct een antwoord; geen systemen wisselen, maar integratie in het EPD met favorietenlijst en snelknop; geen perfecte vraag hoeven stellen, maar begrijpen wat bedoeld wordt. Niet ‘AI toevoegen’, maar frictie weghalen.
Er is nog een ongemakkelijke waarheid. Zelfs als de techniek klopt, betekent dat niet dat het zoeken naar een protocol soepel verloopt. Het voornoemde Funxlab-onderzoek laat zien dat veel zorgverleners wel experimenteren met AI, maar moeite hebben met het stellen van de juiste vraag (de prompt). Dat is geen tekortkoming van de gebruiker, het is een signaal dat we iets fundamenteels missen. We investeren in technologie maar nauwelijks in het ontwikkelen van vaardigheid in het gebruik ervan.
Het optimaal gebruiken AI vraagt iets nieuws van professionals: leren denken in vragen, kritisch blijven op antwoorden en weten wanneer je het wel en niet gebruikt. Zonder dat vakmanschap blijft AI een halfproduct.
De grootste valkuil
Misschien is dit wel de belangrijkste les: AI gaat het probleem van werkdruk niet oplossen. Sterker nog: verkeerd ingezet maakt AI het probleem groter: extra systemen, extra onzekerheid over de uitkomst en extra afhankelijkheid van technologie. De reflex moet dus niet zijn: “Waar kunnen we AI inzetten?” Maar: “Waar zit de verspilling in het werkproces - en helpt AI daar echt?”
Het goede nieuws is dat de meeste winst niet in grote transformaties zit, maar in kleine verbeteringen. Een paar minuten sneller een protocol vinden; direct zekerheid bij een handeling; minder twijfel in een drukke dienst. Dat klinkt bescheiden, maar op schaal is dit precies het verschil dat het werk houdbaar maakt.
Stop met praten, begin met kiezen
We staan op een kantelpunt. AI is niet langer experimenteel, maar ook nog niet vanzelfsprekend. Dat vraagt geen nieuwe visies of strategieën, maar keuzes: durven stoppen met wat niet werkt, toepassingen schrappen die geen onderdeel zijn van het proces en vol inzetten op oplossingen die direct waarde leveren op de werkvloer. Niet omdat het technologisch kan, maar omdat het praktisch helpt.
Concluderend: de zorg heeft geen behoefte aan nóg een slimme tool, maar aan minder zoeken, minder twijfel en minder gedoe. Als AI daaraan bijdraagt, heeft de technologie nut. Zo niet, dan blijft het precies wat het nu vaak nog is: een oplossing op zoek naar een probleem.
AI toepassen bij het zoeken naar protocollen heeft zeker potentie. Laten we die ten volle benutten en de ervaringen delen. Mission possible.