Het oordeel van het Adviescollege ICT-toetsing over het VWS-programma Implementatie Generieke Functies is vernietigend. Niet een beetje kritisch, niet voorzichtig waarschuwend, maar ronduit ontluisterend. Het programma draagt volgens het Adviescollege nauwelijks bij aan het verbeteren van de kwaliteit van de zorg. Van de beloften uit het Integraal Zorgakkoord is weinig terechtgekomen. De doelen waren te ambitieus, de aansturing was onvoldoende, de samenhang met andere programma’s ontbrak en er was geen overkoepelende architectuur. Sterker nog: die is er nog steeds niet. En dit is geen detail. Het is de kern van het probleem.
Generieke functies moesten de basis vormen voor betere gegevensuitwisseling in de zorg. Zij moesten zorgen voor vindbaarheid, toegankelijkheid, interoperabiliteit en hergebruik van zorggegevens. Daarmee zouden kwaliteit en veiligheid verbeteren en zouden vanaf 2029 honderden miljoenen euro’s per jaar worden bespaard. Maar inmiddels is duidelijk dat het programma niet levert wat is beloofd. Van de zes functies lijken alleen Dezi en Mitz nog enig perspectief te hebben, en zelfs daarop is stevige kritiek. Voor adressering, lokalisatie en autorisatie adviseert het Adviescollege in feite: stop ermee.
Pijnlijk, maar niet verrassend
Nederland probeert al jaren digitale zorginfrastructuur te bouwen vanuit beleidslogica. Grote woorden, brede tafels, consensusprocessen, bestuurlijke akkoorden, programmalijnen, landelijke visies en routekaarten. Maar ondertussen blijven patiënten, zorgverleners en regionale samenwerkingsverbanden zitten met dezelfde dagelijkse problemen: gegevens zijn niet beschikbaar, overdracht blijft moeizaam, portalen zijn versnipperd, persoonlijke gezondheidsomgevingen komen onvoldoende van de grond en zorgprofessionals moeten nog steeds inloggen in meerdere systemen om een min of meer compleet beeld te krijgen.
De vraag is daarom niet alleen hoe dit programma kon mislukken. De vraag is vooral: waarom blijven we denken dat dezelfde bestuurlijke machine het probleem alsnog gaat oplossen?
Het Adviescollege benoemt dat VWS onvoldoende kennis heeft van sectoren, bestaande oplossingen en wat er in de regio al gebeurt. Dat is een cruciale constatering. Wie onvoldoende begrijpt wat er in de praktijk werkt, kan moeilijk de regie voeren over digitale zorg. En wie vooral vanuit abstracte functies denkt, loopt het risico oplossingen te ontwikkelen voor problemen die in de praktijk anders liggen.
De zorg heeft geen behoefte aan nóg een centraal bedacht schema. De zorg heeft behoefte aan werkende oplossingen.
Daarom is het nu tijd om veel nadrukkelijker te kijken naar landen en systemen waar het wél lukt. Niet om die één op één te kopiëren, maar om eindelijk serieus te leren van bewezen ervaring. Een voorbeeld is Patients Know Best, dat niet alleen in het Verenigd Koninkrijk, maar ook in andere totaal verschillende landen, op grote schaal laat zien dat patiëntgestuurde digitale zorg geen theorie is. PKB groeide daar uit tot een platform met miljoenen gebruikers en een potentieel bereik van tientallen miljoenen burgers. Juist omdat het niet vertrekt vanuit één centraal systeem, maar vanuit de patiënt als verbindend punt tussen zorgverleners, familie, mantelzorgers en organisaties.
Wezenlijk ander perspectief
Dat perspectief is wezenlijk anders dan de Nederlandse systeemreflex. In Nederland blijven we vaak redeneren vanuit instellingen, sectoren en leveranciers. Ziekenhuizen hebben hun eigen portalen, huisartsen hun eigen systemen, VVT-organisaties hun eigen infrastructuur, GGZ-instellingen hun eigen platforms en regionale initiatieven hun eigen oplossingen. Vervolgens proberen we daarbovenop generieke functies te definiëren die alles met alles moeten verbinden. Dat klinkt logisch, maar in de praktijk leidt het tot abstractie, vertraging en bestuurlijke stroperigheid.
De patiënt beweegt echter dwars door al die domeinen heen. Hij of zij is de enige constante factor. Een patiënt met diabetes, hartfalen, COPD, kanker of long covid leeft niet in een zorgsector, maar in zijn eigen leefwereld. De arts ziet hem misschien enkele uren per jaar. De rest van de tijd organiseert de patiënt, samen met naasten en mantelzorgers, zelf zijn gezondheid. Dat is precies de beweging die Martin van Rijn en Edwin Velzel signaleren: het huidige zorgmodel kraakt in zijn voegen. Meer zorgvraag, meer chronische ziekte, meer personeelstekort en meer kosten. De klassieke oplossing — meer systemen, meer sturing, meer beleidsprogramma’s — is onvoldoende.
Otwin van Dijk, bestuursvoorzitter Slingeland Ziekenhuis, noemde dat eerder treffend “systeemgekte”. Meer systeem toevoegen aan een systeem dat vastloopt, is geen transformatie.
Wat nodig is, is een omkering. Niet langer de instelling als digitaal middelpunt, maar de burger. Niet langer data als bezit van organisaties, maar data als middel voor betere samenwerking. Niet langer beleid dat jaren praat over generieke randvoorwaarden, maar een aanpak die concrete belemmeringen stap voor stap wegneemt. Precies dat adviseert ook het Adviescollege: verbeter gegevensuitwisseling door concrete belemmeringen weg te nemen in plaats van generieke oplossingen te blijven ontwikkelen.
Governance moet ook veranderen
Het kan niet zo zijn dat VWS, na deze beoordeling, opnieuw zelf de architect, opdrachtgever, regisseur en beoordelaar blijft. Daarvoor is er te veel geld uitgegeven en te weinig resultaat geboekt. Voor het programma was 123 miljoen euro uitgetrokken, waarvan al een substantieel deel is uitgegeven of toegezegd. Dat is publiek geld. Geld dat bedoeld was om zorg beter, veiliger en efficiënter te maken. Als het resultaat uitblijft, moet niet alleen het programma worden herzien, maar ook de manier waarop besluiten tot stand komen.
Daarom zou Nederland een onafhankelijk digitaal zorgcollege moeten instellen met een veel zwaarder mandaat dan de gebruikelijke adviescommissies. Niet gevuld met uitsluitend beleidsmakers, maar met patiëntenvertegenwoordigers, regio’s, zorgverleners, internationale experts, bewezen leveranciers, informatiearchitecten en mensen die grootschalige implementaties daadwerkelijk hebben gerealiseerd. Zo’n college moet niet vrijblijvende beschouwingen schrijven, maar bindende adviezen kunnen geven over architectuur, prioriteiten, financiering en stop/go-besluiten. En vooral: het moet buiten de Haagse beleidslogica kunnen denken.
De les uit het Verenigd Koninkrijk is daarbij belangrijk. Ook daar mislukten grote centrale IT-programma’s. Ook daar werd veel geld besteed aan top-down digitalisering. Maar de doorbraak kwam niet door één allesomvattend nationaal systeem. Die kwam door oplossingen die aansloten bij de praktijk van zorgverleners én het dagelijks leven van patiënten. Bottom-up, schaalbaar, interoperabel en gericht op daadwerkelijk gebruik. Dat is precies de benadering die Nederland nu nodig heeft.
Urgentie groeit
De urgentie wordt elke week groter. De arbeidsmarkt loopt vast. De zorgvraag groeit. Mantelzorgers raken overbelast. Patiënten verwachten digitale toegang en regie. Professionals hebben geen tijd meer voor dubbele registraties, incomplete dossiers en slecht gekoppelde portalen. En de financiële ruimte om nog eens jarenlang honderden miljoenen te besteden aan abstracte infrastructuurprogramma’s is er eenvoudigweg niet meer.
De keuze is dus scherp. Of we blijven doorgaan op de oude weg: nieuwe programma’s, nieuwe governance, nieuwe overleggen, nieuwe abstracties en opnieuw jaren wachten op resultaat. Of we erkennen dat de huidige aanpak onvoldoende werkt en halen de kennis naar binnen van landen, regio’s en systemen waar bewezen schaal is bereikt.
Dat laatste vraagt bestuurlijke bescheidenheid. VWS hoeft niet alles zelf te bedenken. Sterker nog: het zou een krachtig signaal zijn als VWS nu zegt dat de volgende stap niet opnieuw achter Haagse tekentafels wordt ontworpen, maar samen met partijen die in de praktijk hebben laten zien dat digitale zorg wél kan werken.
De generieke functies zijn niet alleen een ICT-probleem. Ze zijn een symptoom van een dieper bestuurlijk probleem: de neiging om complexiteit te beantwoorden met nog meer centrale complexiteit.
Tijd voor eenvoudiger uitgangspunten
Begin bij de patiënt. Gebruik wat werkt. Stop wat niet levert. Laat onafhankelijke experts bindend adviseren. Leer van landen waar schaal is bereikt. En geef regio’s, zorgverleners en burgers de middelen om concrete problemen op te lossen.
Want de zorg kan zich geen nieuwe digitale deceptie veroorloven.