Een grootschalig internationaal onderzoek onder ruim 31.000 volwassenen in 30 landen zet bestaande aannames over digitale gezondheidsvaardigheden op zijn kop. Uit de studie blijkt dat juist in lage- en middeninkomenslanden de digitale gezondheidsvaardigheid het hoogst is, terwijl deze in rijkere landen achterblijft.
Het onderzoek, geleid door CUNY Graduate School of Public Health and Health Policy in samenwerking met onder meer het Barcelona Institute for Global Health, laat zien dat nationale welvaart niet automatisch leidt tot betere digitale vaardigheden. Volgens hoofdonderzoeker Rachael Piltch-Loeb spelen juist factoren als het gebruik van sociale media een belangrijke rol.
“In sommige landen waar sociale media de belangrijkste bron van gezondheidsinformatie zijn, zien we de hoogste digitale vaardigheden,” aldus Piltch-Loeb. Daarmee verschuift het beeld van hoe burgers wereldwijd omgaan met digitale informatie over gezondheid. De resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd in Nature Health.
Vertrouwen in bronnen verschilt sterk
Het onderzoek laat ook zien dat de manier waarop mensen betrouwbare gezondheidsinformatie beoordelen, sterk varieert per land. Medische professionals blijven wereldwijd de meest vertrouwde bron: 40,7 procent van de respondenten noemt zorgverleners als belangrijkste informatiebron. Daarnaast geeft 31,2 procent aan informatie te verifiëren via meerdere bronnen.
Opvallend is dat overheidsbronnen minder vaak worden genoemd (21,6 procent), terwijl familie en vrienden slechts een beperkte rol spelen (6,5 procent). In sommige landen, zoals Rusland, ligt het vertrouwen in zorgverleners aanzienlijk lager dan gemiddeld. Deze verschillen benadrukken volgens de onderzoekers dat uniforme communicatiestrategieën niet effectief zijn. Wat in het ene land werkt, kan in een andere context minder impact hebben.
AI acceptatie en sociale media
De acceptatie van door AI gegenereerde gezondheidsinformatie loopt wereldwijd sterk uiteen. Gemiddeld zegt 58,3 procent van de respondenten dergelijke informatie te vertrouwen, maar de verschillen zijn groot. In landen als China, India en Indonesië ligt de acceptatie boven de 75 procent, terwijl deze in veel westerse landen onder de 50 procent blijft.
Jongere en hoger opgeleide respondenten blijken over het algemeen positiever over AI in de zorg. Tegelijkertijd speelt sociale media een steeds grotere rol als informatiekanaal, vooral onder jongeren: 36,1 procent van de 18- tot 29-jarigen gebruikt sociale platforms als belangrijkste bron, tegenover slechts 10,6 procent van de 60-plussers.
Ook voorkeuren voor informatievorm verschillen. Wereldwijd geven mensen de voorkeur aan gecombineerde formats van tekst en beeld, maar in landen als Egypte en Pakistan is video-inhoud relatief populair.
Beleid en communicatie
De bevindingen hebben belangrijke consequenties voor beleidsmakers en zorgorganisaties. Respondenten geven aan vooral waarde te hechten aan informatie die gemakkelijk toegankelijk en begrijpelijk is, en waarbij de bron duidelijk wordt vermeld. Opvallend genoeg wordt officiële goedkeuring door overheden minder belangrijk gevonden.
Volgens de onderzoekers betekent dit dat traditionele, institutionele communicatiestrategieën niet zonder meer toepasbaar zijn in een digitale omgeving waarin sociale media en AI een grote rol spelen. Effectieve gezondheidscommunicatie vraagt om maatwerk, transparantie en variatie in presentatievormen.
Het onderzoek, uitgevoerd in augustus en september 2025 in onder meer de Verenigde Staten, India, Brazilië en Nederland, benadrukt dat digitale gezondheidsvaardigheid geen vaststaand gegeven is, maar sterk afhankelijk van context en mediagebruik.
Voor de toekomst van digitale zorg en publieke gezondheid betekent dit dat technologie alleen niet voldoende is. Begrip van gebruikers, hun voorkeuren en hun informatiegedrag is minstens zo cruciaal.
Digitale vaardigheden 50-plussers
In 2024 bleek uit onderzoek dat maar liefst een kwart van Nederlanders tussen 50 en 65 jaar moeite had om digitaal mee te kunnen komen. Aan de enquête voor de Mantelzorgmonitor deden 1061 personen mee. Onder vrouwen lag het percentage dat niet voldoende vaardigheden heeft om digitaal mee te komen flink hoger (30%) dan onder mannen (19%). Beide groepen geven aan dat ze moeite hebben om het huidige tempo van digitalisering bij te benen. Binnen de zorg wordt daar gelukkig wel relatief veel aandacht aan besteed.
Ondanks het feit dat volgens de Mantelzorgmonitor een op de vier 50 tot 65 jarigen moeite heeft om digitaal mee te kunnen komen, vraagt slechts een klein deel van hen, vijf procent, hulp aan familie en/of vrienden. Vrouwen zijn we eerder geneigd om hulp te vragen, bijvoorbeeld bij internetbankieren, dan mannen; zeven procent versus drie procent.