AI ontwikkelt zich in hoog tempo van technische hulpmiddelen naar systemen waarmee mensen echt in gesprek gaan. Waar kunstmatige intelligentie lange tijd vooral draaide om dataverwerking en gespecialiseerde toepassingen, verschuift de focus nu naar meer natuurlijke, interactieve systemen die zich gedragen als gesprekspartner, schrijft Xenia Kuiper in ICT&health 5, 2025.
De ontwikkeling wordt mede aangejaagd door grote technologiebedrijven. OpenAI, Google, Meta, Apple en Microsoft investeren fors in AI-systemen die beter communiceren, onthouden en inspelen op context.
Daarmee verschuift het perspectief: AI is niet langer alleen een efficiënte tool, maar ontwikkelt zich ook tot een digitale ‘companion’ – een systeem dat continu beschikbaar is en een vorm van ondersteuning of gezelschap kan bieden.
Voor zorg en welzijn opent dat nieuwe mogelijkheden. Digitale companions kunnen bijvoorbeeld ouderen ondersteunen, patiënten begeleiden of zorgprofessionals ontlasten bij bepaalde taken. Tegelijkertijd roept deze ontwikkeling nieuwe vragen op: hoe beoordelen we of zulke technologie daadwerkelijk waarde toevoegt?
Voorbij de Turing-test
Traditioneel werd intelligentie van machines vaak beoordeeld met de zogeheten Turing-test. Computerpionier Alan Turing stelde in 1950 de vraag of een machine zich zo kan gedragen dat een mens niet meer kan onderscheiden of hij met een computer of een andere mens praat.
Hoewel die test historisch belangrijk is, schiet zij volgens de auteur tekort voor toepassingen in zorg en welzijn. Daar gaat het immers niet primair om de vraag of een systeem menselijk lijkt, maar of het daadwerkelijk bijdraagt aan het dagelijks functioneren van mensen.
Een AI die vloeiend small talk kan voeren maar geen concrete ondersteuning biedt, heeft weinig waarde in de zorgpraktijk. Een eenvoudiger digitale assistent die patiënten helpt bij medicijngebruik of stressreductie kan juist wél een betekenisvolle rol spelen.
De companion-test
Om die reden introduceert de auteur een alternatief toetsingskader: de companion-test. Dit concept is geïnspireerd op de zogenoemde Mom Test van ondernemer Rob Fitzpatrick, waarin niet intenties of meningen centraal staan, maar daadwerkelijk gedrag.
Bij (AI-) companions draait het volgens deze benadering niet om wat een technologie belooft, maar om wat zij in het dagelijks gebruik daadwerkelijk betekent. Wordt de technologie onderdeel van routines? Helpt zij mensen zelfstandig functioneren? En blijft de waarde ook op langere termijn overeind?
De companion-test wordt beschreven als een kompas met vier richtingen:
- Het ‘noorden’ staat voor mensgerichte waarde: draagt de technologie aantoonbaar bij aan welzijn en autonomie?
- Het ‘oosten’ richt zich op kansen voor innovatie en ondersteuning in zorg en welzijn.
- Het ‘zuiden’ waarschuwt voor risico’s, zoals afhankelijkheid of verkeerde adviezen.
- Het ‘westen’ markeert noodzakelijke randvoorwaarden zoals veiligheid, betrouwbaarheid en transparantie.
Kritisch kijken naar companionship
De opkomst van companions maakt deze vragen urgenter. Technologiebedrijven positioneren chatbots en avatars steeds vaker als coach, vriend of vertrouwenspersoon. Dat kan kansen bieden voor bijvoorbeeld ondersteuning bij eenzaamheid of mentale gezondheid, maar roept ook zorgen op over autonomie en sociale afhankelijkheid.
Volgens de auteur is het daarom belangrijk dat zorgorganisaties, beleidsmakers en technologiebedrijven kritisch blijven kijken naar de rol van dergelijke systemen. Companions zijn geen neutrale hulpmiddelen, maar technologie die diep kan ingrijpen in het dagelijks leven van mensen.
De companion-test kan daarbij dienen als praktisch hulpmiddel om innovaties te beoordelen. Door technologie te toetsen op daadwerkelijke waarde in het dagelijks leven, kunnen zorg en welzijn volgens de auteur beter bepalen welke toepassingen bijdragen aan autonomie, welzijn en duurzame ondersteuning.
Het volledige artikel is te lezen in ICT&health editie 5, 2025 en in het online magazine.