Door gezondheidsdata van zwangere vrouwen en hun ongeboren kind slimmer te analyseren, kunnen artsen vroeggeboortes eerder voorspellen en hartafwijkingen sneller signaleren. Dat blijkt uit promotieonderzoek van Ivar de Vries aan de TU Eindhoven. Hij onderzocht hoe bestaande monitoringsdata van moeder en kind effectiever benut kunnen worden om complicaties rond de zwangerschap eerder te herkennen. De Vries promoveerde op 13 mei op dit onderwerp, dat werd uitgevoerd in samenwerking met Máxima MC.
Volgens gynaecoloog en hoogleraar Judith van Laar, gynaecoloog in MMC en hoogleraar Signal Processing Systems bij de TU/e, is vroege signalering nog altijd een grote uitdaging, ondanks technologische vooruitgang in de geboortezorg. Jaarlijks overlijden in Nederland nog altijd baby’s aan complicaties voor, tijdens of kort na de geboorte. De onderzoekers hopen dat betere interpretatie van medische data kan bijdragen aan snellere diagnoses en gerichtere zorg voor moeder en kind.
Belangrijke indicatoren
Het onderzoek van De Vries richtte zich op het verbeteren van die vroege signalering. Daarbij werkte hij met een monitoringsysteem dat via elektrofysiologische signalen de hartslag van zowel moeder als ongeboren kind meet, zonder belastende ingrepen voor de patiënt. Het systeem registreert daarnaast de activiteit van de baarmoederspier, een belangrijke indicator voor het risico op vroeggeboorte. De technologie werd ontwikkeld door Judith van Laar en associate professor Rik Vullings van de TU/e, die De Vries ook tijdens zijn promotietraject begeleidden.
“Gynaecologen gebruiken niet alle data en signalen, die beschikbaar komen via de monitoring. Ik bestudeerde die ongebruikte gegevens. Met die data kun je bijvoorbeeld zwangerschapsvergiftiging, een belangrijke oorzaak van een te vroeg geboren kindje, eerder voorspellen”, licht De Vries toe. Door het verloop van een zwangerschap nauwkeuriger te volgen, kunnen gynaecologen gerichter bepalen welke zorg een zwangere vrouw nodig heeft.
Ziekenhuisopnames voorkomen
Volgens De Vries kan dat helpen om onnodige of voortijdige ziekenhuisopnames te voorkomen, waardoor de druk op de zorg afneemt. Tegelijkertijd benadrukt hij dat nieuwe toepassingen zorgvuldig onderbouwd moeten worden. Juist bij een kwetsbare patiëntengroep is volgens hem overtuigend bewijs nodig dat een methode daadwerkelijk betrouwbaar en effectief is.
Met zijn promotieonderzoek bouwde De Vries voort op werk dat zijn begeleiders ruim twintig jaar geleden begonnen tijdens hun eigen promotietraject aan de TU/e. Associate professor Rik Vullings vertelt dat hij destijds als engineer werd gekoppeld aan gynaecoloog Judith van Laar. Die samenwerking groeide uit tot een langdurig onderzoeksverband gericht op betere monitoring van zwangere vrouwen en hun ongeboren kind.
Samenwerken
De technologie die daaruit voortkwam, werd door Vullings verder ontwikkeld binnen zijn bedrijf Nemo Healthcare. Daarbij werken de onderzoekers nauw samen met Máxima MC, waar grootschalig onderzoek plaatsvindt naar zwangerschappen en geboortezorg. Volgens Vullings zijn veel patiënten bereid om aan die studies deel te nemen, wat belangrijk is voor de ontwikkeling en toetsing van nieuwe technieken.
De onderzoekers benadrukken dat intensieve samenwerking tussen technici en artsen essentieel is om nieuwe technologie daadwerkelijk toepasbaar te maken in de medische praktijk. Volgens Van Laar speelt De Vries daarin een belangrijke rol, doordat hij artsen helpt om medische data sneller en beter te analyseren. Nieuwe technieken, zoals deep learning, kunnen volgens haar alleen succesvol worden ingezet wanneer beide disciplines nauw samenwerken en elkaars expertise begrijpen.
Die samenwerking vraagt volgens de onderzoekers om meer dan alleen een gedeelde taal. Zowel clinici als engineers moeten inzicht hebben in elkaars vakgebied om realistische en bruikbare oplossingen te ontwikkelen. Door gezamenlijk te kijken naar de problemen in de zorgpraktijk en de mogelijkheden van technologie, ontstaan onderzoeksvragen die niet alleen innovatief zijn, maar ook uitvoerbaar binnen de klinische praktijk.
Veel vragen stellen
Aan het begin van zijn promotietraject beschikte De Vries nog over beperkte medische kennis. Die ontwikkelde hij gaandeweg door zelfstudie, intensieve samenwerking met artsen en het bijwonen van onder meer keizersneden. Ook stelde hij veel vragen binnen de klinische praktijk, zowel aan zorgverleners als aan patiënten. Door hun ervaringen en behoeften te verzamelen, kreeg hij beter inzicht in de dagelijkse uitdagingen binnen de gynaecologie. Die kennis vormde vervolgens de basis voor de ontwikkeling van nieuwe methoden voor monitoring.
De Vries blijft betrokken bij het onderzoek en is inmiddels gestart als postdoc, werkzaam bij de TU/e, Máxima MC en Nemo Healthcare. In die rol richt hij zich op verdere ontwikkeling van de technologie en het verkennen van nieuwe toepassingen. Volgens hem blijft het werk daardoor doorgaan en worden er stap voor stap vorderingen gemaakt in de richting van een bruikbaar product. Tegelijkertijd benadrukt hij dat brede toepassing in de klinische praktijk nog tijd kost. Nieuwe technologie moet eerst via meerjarige klinische studies grondig worden getest op veiligheid en effectiviteit, al kan eerdere introductie mogelijk zijn als tussentijdse resultaten daar aanleiding toe geven.
Ontwikkeling monitroingssysteem
Volgens Vullings zit de kracht van de samenwerking tussen MMC, TU/e en Nemo Healthcare in de gezamenlijke ontwikkeling van het monitoringsysteem en de voortdurende verbetering ervan door onderzoek. Die samenwerking komt voort uit het Eindhoven MedTech Innovation Center (e/MTIC). Een initiatief van vijf partners uit de Brainportregio om gezondheidsinnovaties te versnellen. Naast TU/e en MMC, maken Catharina Ziekenhuis, Kempenhaege Centrum voor Epilepsie en Slaapgeneeskunde en Philips onderdeel uit van e/MTIC.
In het MMC zijn meer innovaties op het gebeid van zwangerschap. Zo schreven we onlangs nog over een nieuwe werkwijze in het Máxima MC, waarbij tijdens spoedoperaties bij zwangere vrouwen de hartslag van het ongeboren kind nauwkeuriger kan worden bewaakt. Die aanpak is bedoeld om de veiligheid te vergroten bij acute ingrepen tijdens de zwangerschap, die zelden voorkomen maar in sommige gevallen onvermijdelijk zijn. Vooral bij vrouwen met een eerdere bariatrische ingreep, zoals een maagverkleining, bestaat een verhoogd risico op complicaties, bijvoorbeeld doordat de dunne darm bekneld kan raken.