De belangstelling voor het meten van biologische leeftijd groeit snel. Bloedtests, anti-agingklinieken en andere commerciële aanbieders beloven inzicht te geven in hoe oud het lichaam werkelijk is. Maar wetenschappelijk is nog allerminst duidelijk hoe nauwkeurig biologische leeftijd bij een individu kan worden vastgesteld. Onderzoeker Lieke Kuiper vergeleek daarom verschillende veelgebruikte biomarkers. Een combinatie van 27 eiwitten in het bloed kwam daarbij als meest veelbelovende methode naar voren.
Biologische leeftijd verschilt van kalenderleeftijd. Het begrip probeert weer te geven hoe ver het lichaam in het verouderingsproces is en kan daarmee mogelijk iets zeggen over toekomstige gezondheid. De uitdaging is dat veroudering uit veel verschillende processen bestaat en zich niet eenvoudig in één getal laat vangen.
Biomarkers naast elkaar
Voor haar proefschrift onderzocht Kuiper verschillende methoden die worden gebruikt om biologische leeftijd te bepalen. Daarbij keek ze naar eiwitten en metabolieten in het bloed, chemische veranderingen in het DNA en metingen aan de huid.
In plaats van afzonderlijke biomarkers te beoordelen, combineerde ze meerdere biologische kenmerken. Computermodellen zochten daarin patronen en vertaalden die naar één score. Vervolgens onderzocht Kuiper hoe deze scores samenhingen met kenmerken van veroudering, zoals knijpkracht, kwetsbaarheid, ervaren gezondheid, het ontstaan van ziekten en overlijden.
Daarbij gaat biologische veroudering volgens Kuiper nadrukkelijk niet alleen over levensduur. Ook de geleidelijke achteruitgang van gezondheid en lichamelijk functioneren is relevant.
27 eiwitten
Van de onderzochte methoden bleek een combinatie van 27 eiwitten in het bloed het meest veelbelovend. Deze eiwitten houden verband met onder meer ontstekingsprocessen, stofwisseling, lichamelijke stress en herstelvermogen. Mensen die volgens deze eiwitmeting sneller biologisch verouderden, werden ook sneller kwetsbaar, ontwikkelden vaker gezondheidsproblemen en hadden een groter risico om eerder te overlijden. Opvallend is dat complexere tests met veel meer metingen niet beter presteerden.
Volgens Kuiper betekent dit dat méér data niet automatisch een betrouwbaarder resultaat oplevert. Door veel variabelen aan een model toe te voegen, kunnen ook meetfouten en ruis toenemen. Een gerichte selectie van relevante biomarkers kan daardoor informatiever zijn.
Dat maakt de test met 27 eiwitten echter nog niet tot een exacte biologische leeftijdsmeter. Veroudering omvat verschillende biologische en functionele processen. Een bepaalde biomarker kan bijvoorbeeld vooral samenhangen met lichamelijke achteruitgang, terwijl een andere mogelijk meer zegt over andere aspecten van veroudering.
Markt loopt vooruit op wetenschap
Die onzekerheid is volgens Kuiper ook relevant voor consumenten die commerciële tests overwegen. De markt loopt volgens haar op sommige punten vooruit op wat de wetenschap daadwerkelijk kan aantonen. Onderzoek kan op groepsniveau aanwijzingen geven over verschillen in risico, maar het is veel moeilijker om voor één persoon exact vast te stellen hoe oud diens lichaam biologisch is. Verschillende tests kunnen bij dezelfde persoon bovendien uiteenlopende uitkomsten geven.
Dat betekent niet dat biomarkers voor biologische leeftijd geen waarde hebben. Juist voor wetenschappelijk onderzoek ziet Kuiper concrete mogelijkheden. Zo kunnen biomarkers mogelijk eerder aanwijzingen geven of een leefstijlinterventie, geneesmiddel of andere behandeling effect heeft. Onderzoekers hoeven dan niet jarenlang te wachten totdat verschillen in ziekte of gezondheid zichtbaar worden.
Ook kunnen dergelijke metingen worden ingezet om groepen te identificeren die gemiddeld sneller lijken te verouderen. Vervolgens kan worden onderzocht welke factoren daarbij een rol spelen en of preventieve interventies mogelijk zijn.
Grenswaarden ontbreken nog
Voor toepassing in de reguliere zorg zijn echter nog belangrijke stappen nodig. Uit gesprekken van Kuiper met geriaters blijkt onder meer dat duidelijke grenswaarden ontbreken. Daardoor is nog niet vastgesteld wanneer een uitslag als normaal of zorgelijk moet worden beschouwd. Daarnaast moet duidelijk worden welke consequenties een bepaalde score voor een individuele patiënt heeft en welke behandeling of leefstijladviezen daarbij passen. Ook vraagt communicatie over zo'n uitslag aandacht, omdat een risicoscore zonder duidelijk handelingsperspectief patiënten mogelijk weinig helpt.
De bloedtest met 27 eiwitten biedt daarmee vooral een veelbelovend onderzoeksinstrument. Voordat biologische leeftijd daadwerkelijk onderdeel kan worden van diagnostiek of preventieve zorg, moet eerst duidelijker worden wat individuele uitslagen betekenen en hoe die kennis verantwoord kan worden ingezet.
Urinetest
Eind vorig jaar ontwikkelden Japanse onderzoekers een niet-invasieve methode ontwikkeld om biologische veroudering te meten via urine. De technologie, ontwikkeld door Craif Inc. en Nagoya University, combineert machine learning met analyse van microRNA’s (miRNA’s) in extracellulaire vesikels. Deze moleculen spelen een rol bij genregulatie en verschillende processen die samenhangen met veroudering. Voor het onderzoek werden urinemonsters en gezondheidsgegevens van 6.331 personen gebruikt. Het AI-model werd getraind met gegevens van 2.400 deelnemers en vervolgens gevalideerd in twee afzonderlijke groepen. In de onafhankelijke testgroep voorspelde het model de chronologische leeftijd met een gemiddelde afwijking van slechts 4,4 jaar.
De onderzoekers identificeerden bovendien twintig miRNA’s die consistent veranderen naarmate mensen ouder worden. Deze houden verband met onder meer immuunfunctie, botombouw, mitochondriale disfunctie en geprogrammeerde celdood. Omdat urine eenvoudig, goedkoop en pijnloos te verzamelen is, kan de methode volgens de onderzoekers perspectief bieden voor grootschalige monitoring van biologische veroudering en preventieve gezondheidszorg.