Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zet nadrukkelijk in op het opensource laten ontwikkelen van zorg-ICT. Die koers moet leiden tot minder afhankelijkheid van grote leveranciers, meer uitwisselbaarheid van systemen en uiteindelijk betere en betaalbaardere digitale zorg. Tegelijk roept de aanpak vragen op bij leveranciers en zorginstellingen, met name over verdienmodellen, continuïteit en regie. Volgens VWS zijn die zorgen begrijpelijk, maar niet doorslaggevend.
Maurice Hendriks, opensource-expert bij VWS, schetste in een recente editie van ICT&health het open ecosysteem aan de hand van een alledaags voorbeeld. “Als je een fiets koopt, laat je hem ook niet onderhouden door de fabrikant. Je gaat gewoon naar de fietsenmaker op de hoek. Die kan onderdelen van verschillende merken, prijs en kwaliteit leveren en monteren. Alles is uitwisselbaar. En je bent niet gebonden aan één producent.” Dat principe wil VWS ook toepassen op zorg-ICT: systemen die bestaan uit verwisselbare onderdelen, gebaseerd op open standaarden.
De norm
Volgens Hendriks is open source geen uitzondering, maar de norm in digitale technologie. Internet, smartphones en televisies maken er al decennialang gebruik van. Door broncode, documentatie en ontwerp openbaar beschikbaar te stellen, kunnen partijen software hergebruiken, verbeteren en aanpassen. Dat vergroot de transparantie en verkleint de kans op langdurige afhankelijkheid van één leverancier.
Die manier van werken leidde bij recente aanbestedingen tot vragen vanuit de markt. Hoe blijft een bedrijf rendabel als software vrij beschikbaar is? Laurens Rijpstra, bij VWS verantwoordelijk voor data voor burgers en persoonlijke gezondheidsomgevingen (PGO’s), ziet die discussie als te eenzijdig. “Het uitgangspunt zou moeten zijn dat je verdient met het leveren van waarde: een goed product met de bijbehorende dienstverlening. Niet door data af te sluiten of gebruikers van je afhankelijk te maken.”
Open source bewijst zich
VWS past deze benadering onder meer toe bij de ontwikkeling van het gezondheidsinformatiestelsel (GIS), dat volledig opensource wordt opgezet. Volgens Hendriks is dat logisch bij een digitale publieke infrastructuur die met publiek geld wordt gerealiseerd. Hij wijst ook op de coronacrisis, waarin open source zich volgens hem in de praktijk bewees via transparante ontwikkeltrajecten en publieke toetsing van oplossingen.
Het open ecosysteem staat haaks op de traditionele zorg-ICT-markt, waar leveranciers vaak software, onderhoud en licenties bundelen. Dat maakt overstappen complex en kostbaar. Rijpstra wijst erop dat open source juist ruimte biedt om per onderdeel verschillende leveranciers te kiezen. Dat vraagt wel om duidelijke regie. Die rol ligt volgens VWS onder meer bij samenwerkingsverbanden als MedMij, dat betrokken is bij de opensource-doorontwikkeling van PGO’s.
Geleidelijk proces
Voor patiënten zal de verandering niet direct zichtbaar zijn. “Digitalisering is een geleidelijk proces”, zegt Rijpstra. “De patiënt merkt er pas iets van als het fout gaat of als iets plotseling gemakkelijker gaat. Bijvoorbeeld als je een MRI niet meer op een cd’tje hoeft mee te nemen naar je volgende afspraak maar meteen digitaal beschikbaar is.” Betere gegevensuitwisseling moet dubbel werk en fouten verminderen.
Ook kosten spelen een rol, vult Hendriks aan. “De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft al vaker gewezen op de marktmacht van enkele grote softwareleveranciers in de zorg. Als we met open source de kosten van zorgdigitalisering kunnen drukken, dan merkt uiteindelijk iedereen dat ook in de portemonnee.”
Beide VWS-vertegenwoordigers benadrukken dat open source geen doel op zich is, maar een middel. Het succes hangt af van volhouden, samenwerking en duidelijke afspraken. VWS roept zorgpartijen en leveranciers op om actief mee te doen aan de verdere ontwikkeling van een open zorgecosysteem.
Dit artikel gemist? Lees het terug in ICT&health 5, 2025. Of lees het in ons online magazine.