Ziekenhuizen hebben maar beperkte keuze in EPD-systemen, en daar zijn meerdere redenen voor. Toen ik ruim vijftien jaar geleden in de ziekenhuis-ICT begon, was best-of-breed nog gangbaar: losse applicaties met elk hun eigen leverancier, manier van dataopslag en koppelingen. De trend zette toen al in richting één geïntegreerd, monolithisch EPD dat het medisch dossier en bijbehorende functies samenbracht. Dat was een stap vooruit ten opzichte van een lappendeken van systemen.
En het werkte goed. Het monolithische EPD bracht overzicht en betrouwbaarheid, maakte interne samenwerking eenvoudiger en vormde de basis voor uitwisseling met andere zorginstellingen.
Inmiddels is er voor ziekenhuizen weinig te kiezen. ChipSoft en Epic zijn volwassen EPD’s die in de Nederlandse ziekenhuiszorg bewijzen dat ze werken, en dat is een prestatie. Maar een markt met twee dominante spelers zonder serieuze concurrentie mist prikkels: minder noodzaak om te innoveren, geen druk op de prijzen en weinig reden om systemen open te stellen. Zo bepalen de EPD-leveranciers grotendeels het innovatietempo, de tarieven en de mate van interoperabiliteit.
Elke stap hiernaartoe was op zichzelf verstandig en verdedigbaar voor risicomijdende ziekenhuizen. Het effect is dat de markt op slot zit. Overstappen kost niet alleen geld, maar ook jaren en de tijd van vrijwel alle medewerkers. Diezelfde consolidatie zien we overigens ook in andere zorgsectoren.
Een markt die zichzelf dichttrekt
Dat ziekenhuizen in een fuik zijn gezwommen, maken de cijfers duidelijk. Volgens de marktinventarisatie van M&I/Partners uit begin 2026 heeft ChipSoft 76% van de Nederlandse ziekenhuizen als klant, Epic 16% en NEXUS de resterende 8%; SAP/Cerner is volledig uit de markt verdwenen. Een snelle daling van die percentages is niet te verwachten: de overstapkosten lopen in de miljoenen en een alternatief dat net zo goed aansluit op de Nederlandse ziekenhuisprocessen ontbreekt.
Dat het een duopolie werd, is geen toeval. De afgelopen vijftien jaar probeerden meerdere leveranciers voet aan de grond te krijgen, waaronder Alert Life Sciences, Siemens Soarian, SAP/Cerner en NEXUS. Sommige initiatieven strandden tijdens de implementatie, andere verdwenen na strategische keuzes van internationale moederbedrijven. Dat zelfs de Sint Maartenskliniek haar overstap van ChipSoft naar NEXUS voortijdig beëindigde, laat zien hoe moeilijk een duurzaam alternatief is.
De uitdaging zit niet in de software alleen, maar in de combinatie van complexe zorgprocessen, wet- en regelgeving, declaratiesystematiek, koppelingen met tientallen systemen en de beperkte schaal van een markt met zo’n zeventig ziekenhuizen. Elke mislukte poging versterkt de positie van de gevestigde leveranciers en verhoogt de overstapdrempel opnieuw, tot het punt dat buitenlandse partijen volgens de Autoriteit Consument & Markt (ACM) niet eens meer reageren op offerteaanvragen.
De toezichthouder trekt aan de bel
De ACM kijkt al jaren mee. Na een onderzoek dat in 2020 begon, concludeerde de toezichthouder dat ziekenhuizen klemvast zitten aan hun leverancier en dat die afhankelijkheid uiteindelijk de patiënt schaadt. In de leidraad Goedwerkende markten voor zorg-ICT (2022) benoemde de ACM het verstorende gedrag: het bemoeilijken van koppelingen tussen systemen van verschillende leveranciers, onredelijke contractvoorwaarden en niet-transparante of excessieve prijzen.
Begin 2025 zette de ACM een opvallende stap. In een brief aan VWS schreef ze zelf onvoldoende instrumenten te hebben. De mededingingswet is ontworpen om misbruik aan te pakken, terwijl hier sprake is van structureel marktfalen: leveranciers opereren binnen de wet, maar de regelgeving zelf houdt een gesloten ecosysteem in stand. De ACM adviseerde daarom om openheid van zorginformatiesystemen wettelijk te verplichten, met de Wegiz als mogelijk instrument. Als de partij die markten gezond moet houden concludeert dat deze markt zichzelf niet corrigeert én dat zij zelf niet kan ingrijpen, dan klopt er iets niet.
De echte prijs is het tempo
De kosten van deze fuik rekenen we meestal in euro’s en overstapdrempels. Maar de echte prijs is minder zichtbaar: de misgelopen efficiëntiewinst van een markt die niet beweegt.
Het EPD is ontworpen rond registratie voor declaratie, regelgeving en administratieve verantwoording, later aangevuld met logistiek en dossiervoering. Dat fundament kan inmiddels niet meer snel meebewegen. Bovendien is alleen al het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving, veranderende financieringsregels, kwaliteitsregistraties, de Wegiz en de EHDS een enorme klus. De roadmaps van leveranciers zitten daardoor vol met ‘moetjes’, en er blijft nauwelijks capaciteit over voor innovatie.
Neem de AI-scribes voor spraakgestuurd rapporteren. De techniek om consulten op te nemen en samen te vatten bestaat en kan de administratieve druk verlichten, en EPD-leveranciers hebben er integraties mee. Toch bepaalt de EPD-leverancier nog steeds welke data over de lijn gaat, tegen welke doorlooptijd en welke licentiekosten per koppeling.
Wie een nieuwe applicatie wil koppelen, wacht op de roadmap of kiest noodgedwongen de oplossing die al in het EPD zit. Dat geldt net zo goed voor telemonitoring, regionale samenwerking en beslissingsondersteuning. En de transitie naar regionale netwerkzorg, waarin data over de muren van het ziekenhuis heen beweegt naar VVT en huisarts, faalt als informatie gevangen blijft in een systeem dat rond één instelling is gebouwd.
Dat raakt ook pilots. Een proef van een paar maanden op één afdeling loopt tegen dezelfde koppeling aan als een volledige uitrol; de kosten schalen niet mee met de omvang van het experiment. Juist de ruimte om goedkoop te proberen, te falen en te stoppen is wat vernieuwing nodig heeft.
Maar dan?
De voor de hand liggende reflex is het EPD vervangen, maar dat is voor de meeste ziekenhuizen geen optie, en eigenlijk ook niet nodig. De huidige EPD’s doen wat ze moeten doen: ze vormen een betrouwbaar fundament voor de medische processen, de wettelijke registraties en de financiële afhandeling. Ze zijn de digitale ruggengraat van het ziekenhuis, en ze staan niet stil… EPD-leveranciers bouwen volop nieuwe functionaliteit, van AI tot beslisondersteuning en patiënten-apps. Het punt is dus niet dat er geen vernieuwing uit het EPD komt, maar dat je afhankelijk blijft van het tempo en de keuzes van één leverancier. Daarvoor zijn er drie complementaire opties.
De eerste loopt via gebruikersgroepen en -verenigingen, die de vraag richting leveranciers bundelen. Dat helpt, maar de veranderingen blijven binnen de kaders en het tempo van één leverancier. Echt grensoverschrijdende vernieuwing valt buiten dat bereik.
De tweede is de regels veranderen, zodat leveranciers hun systemen wettelijk moeten openstellen, zoals de ACM bepleit. Die route is nodig, maar het tempo wordt bepaald in Den Haag en Brussel. Hier schreef ik eerder al over.
De derde is de architectuur veranderen als ziekenhuis, zodat je niet langer voor elke vernieuwing van het EPD afhankelijk bent. Die route kan een ziekenhuis zelf inslaan, zonder op de wetgever te wachten. Het doel is niet het EPD weggooien, maar het een andere plek geven.
Digital Health Platform
Gartner beschrijft die plek met het model van het Digital Health Platform, een verschuiving van één monolithisch systeem naar een gelaagde architectuur. Het EPD en de diagnostische systemen blijven als ‘systems of record’ het fundament, de kort cyclische vernieuwing verhuist naar de lagen daarboven. Een nieuwe toepassing hoeft dan niet meer op de roadmap van de leverancier te wachten, want de data landt in een laag die het ziekenhuis zelf kan sturen.
Die aanpak heeft ook beperkingen. Data ontsluiten via API’s en open standaarden blijft in de praktijk complex, de EPD-leverancier houdt voorlopig een stevige vinger in de pap, en het vraagt van de eigen IT-organisatie meer regie en architectuurkennis. Het is geen makkelijke route, maar wel een bewuste, strategische keuze. Je trekt een harde grens tussen de systems of record en de laag voor innovatie en samenwerking, omdat het voor niemand goed is dat de snelheid bij enkele leveranciers ligt.
Verschillende initiatieven bewijzen nu al dat het kan, deels volgens diezelfde filosofie van een Gartner Digital Health Platform. De term staat zelden expliciet op de blauwdrukken, maar het gedachtegoed is op meerdere initiatieven terug te vinden: medische data en functionele applicaties loskoppelen om de zorgketen te ontsluiten. RSO Zuid-Limburg bouwt aan een leveranciersneutraal data ecosysteem, gericht op brede databeschikbaarheid en cross-sectorale inzage. KPN Health Exchange zet in op standaarden voor bidirectioneel verkeer, al hangt het terugschrijven daar nog af van de ontvangende EPD-leveranciers. Digizorg overbrugt die weerbarstige praktijk met integratie-connectors, waarmee data uit een patiënten-app of zorgverleners-cockpit ook echt in het EPD landt. Of de insteek nu inzage of diepe integratie is, ze laten zien dat open standaarden de sleutel zijn tot een wendbaar zorglandschap.
Daarnaast loopt de landelijke ontwikkeling rond CumuluZ, dat onlangs zijn doelarchitectuur publiceerde. Maar echte databeschikbaarheid is méér dan een verzameling regionale inzagetoepassingen, en we moeten waken voor nieuwe silo’s, tegelijk is enige scepsis gepast bij het idee dat een landelijke laag dit ‘ineens’ oplost. De structurele verandering zit niet in de koppelingen, maar in standaarden, API’s en data die bij álle systemen beschikbaar komen. Daarin spelen de systems of record een hoofdrol, want zij vormen de basis. Ik heb er goede hoop op, want wie je het ook vraagt: we doen dit voor de zorgverlener en de patiënt.