De Nederlandse zorg kampt met oplopende wachttijden, terwijl beschikbare capaciteit niet altijd optimaal wordt benut. Volgens Art Beuting, lid van het executive comité van Coöperatie VGZ, ligt een belangrijk deel van de oplossing in beter gebruik van data, proactieve zorgbemiddeling en meer regie voor patiënten. Met het bestuurlijk akkoord dat proactieve zorgbemiddeling mogelijk maakt, willen zorgverzekeraars, zorgaanbieders en verwijzers patiënten sneller naar passende zorg begeleiden – en tegelijk de druk op het zorgsysteem verlichten.
De druk op de toegankelijkheid van de zorg neemt al jaren toe. Vooral in de ggz lopen wachttijden steeds verder op, terwijl ook in delen van de medisch-specialistische zorg de Treeknorm regelmatig wordt overschreden - de maximaal aanvaardbare wachttijd voor niet-spoedeisende zorg, afgesproken door zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Tegelijkertijd wordt de beschikbare zorgcapaciteit regelmatig ongelijk benut over regio’s en aanbieders.
Volgens Art Beuting vraagt dat om een fundamenteel andere benadering van zorgbemiddeling. “We zijn bezig met een andere visie op de transformatie van de zorg”, zegt hij. “Ik kijk met mijn team naar hoe we gedragsverandering tot stand kunnen brengen en hoe we data daarvoor kunnen inzetten.”
Als Chief Member Officer bij VGZ is Beuting onder meer verantwoordelijk voor zorgadvies en zorgbemiddeling richting verzekerden. Daarbij verschuift de focus van reactieve naar proactieve zorgbemiddeling. Niet pas ondersteunen wanneer patiënten zelf aankloppen, omdat ze vastlopen in wachttijden, maar al eerder in het zorgproces alternatieven aanbieden.
Van reactief naar proactief
Sinds 20 april van dit jaar kunnen patiënten die lang wachten op medisch-specialistische zorg toestemming geven aan hun zorgverzekeraar om actief mee te zoeken naar alternatieve aanbieders met kortere wachttijden. Later in het jaar komt ook ggz beschikbaar. Proactieve zorgbemiddeling is onderdeel van afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
“De huisarts blijft natuurlijk de centrale verwijzer”, benadrukt Beuting. “Wat we nu samen met Zorgverzekeraars Nederland, de NFU en de Nederlandse ggz hebben gedaan, is in het verwijzingsproces opnemen dat we mensen vragen of zij benaderd willen worden door hun verzekeraar voor bemiddeling wanneer de Treeknorm verstreken is.”
Wanneer een patiënt toestemming geeft, kan de verzekeraar actief ondersteuning bieden bij het vinden van passende zorg. Dat kan telefonisch, digitaal of via e-mail. Volgens Beuting is vooral dat proactieve karakter nieuw. “Voorheen bleef de verwijzing bij de verzekerde en de instelling waarnaar verwezen was. Nu is het technisch mogelijk dat die verwijzing naar ons doorgestuurd wordt.”
Die ontwikkeling moet helpen om beschikbare capaciteit beter te benutten. Want hoewel patiënten vaak automatisch kiezen voor zorg in de buurt of bekende verwijspatronen volgen, zijn elders soms wel degelijk kortere wachttijden beschikbaar.
Technische stap: Heradresseren
Een belangrijke technische component die proactieve zorgbemiddeling versterkt is het zogenoemde Heradresseren. Sinds november 2025 maakt Coöperatie VGZ het mogelijk om patiënten digitaal naar een andere zorgaanbieder door te verwijzen zonder opnieuw langs de huisarts te hoeven. Heradresseren is inmiddels ook voor andere zorgverzekeraars beschikbaar.
“Als mensen kiezen voor een andere instelling voor bijvoorbeeld een snellere knieoperatie, kan op basis van het ZorgDomein-nummer van de verwijzing een doorverwijzing plaatsvinden”, legt Beuting uit. “De verzekerde hoeft niet meer terug naar de huisarts om het adres aan te laten passen naar de nieuw gekozen instelling of behandelaar. Dat geeft meer regie voor patiënten en vermindert administratieve druk in de eerste lijn.”
De technische infrastructuur hiervoor wordt gerealiseerd binnen bestaande verwijssystemen zoals ZorgDomein en VECOZO. Daarbij worden uitsluitend administratieve gegevens gedeeld; medische inhoud blijft buiten beeld.
Volgens Beuting is juist die combinatie van databeschikbaarheid, infrastructuur en procesaanpassing essentieel. “Je data moeten op orde zijn, je veiligheid moet op orde zijn, je digitale infrastructuur moet op orde zijn. Het digitaal ontsluiten van proactieve zorgbemiddeling vraagt wel het een en ander.”
Nauwkeurigere inzet van data
De ontwikkeling laat volgens Beuting zien dat de rol van data steeds nadrukkelijker verschuift naar de voorkant van het zorgproces. Niet alleen inzicht geven in wachttijden, maar patiënten actief ondersteunen bij keuzes.
“We weten dat wachttijden voor bepaalde aandoeningen in de ene regio korter zijn dan in de andere regio”, zegt hij. “Ook zorgkwaliteit verschilt, net als de beschikbaarheid van hybride zorg. Onderdeel van onze aanpak is mensen digitaal inzicht geven in alternatieve keuzes, zodat zij daar zelf een besluit over kunnen nemen.”
Daarbij ontstaat ook ruimte voor meer gepersonaliseerde ondersteuning. Wanneer zorgverzekeraars beter zicht krijgen op bijvoorbeeld postcodegebieden of eerdere behandelkeuzes, kunnen patiënten gerichter worden begeleid.
“We zouden reminders kunnen sturen, beter kunnen zien wie digitaal onderlegd is en anderen juist telefonisch benaderen”, aldus Beuting. “Juist bij mensen die digitaal minder zelfredzaam zijn, willen we kijken hoe we hen beter of sneller kunnen helpen. Daarmee kun je ook gezondheidsverschillen verkleinen.”
Tegelijkertijd benadrukt hij dat zorgvuldigheid rond privacy en toestemming cruciaal blijft. “Via ZorgDomein is de veiligheid en privacy van verwijzingen heel goed geregeld. Proactieve zorgbemiddeling is ook uitgebreid getest voordat we live gingen.”
Bestaande capaciteit beter benutten
Volgens VGZ laten de eerste resultaten zien dat zorgbemiddeling daadwerkelijk verschil kan maken. In 2025 hielp de verzekeraar ongeveer 65.000 mensen via zorgadvies en bemiddeling. Dit jaar moet dat aantal doorgroeien naar circa 100.000.
Daarnaast wil VGZ het aantal gereduceerde wachttijdweken laten stijgen van 300.000 in 2025 naar ruim 450.000 in 2026. Vooral in de ggz blijken de effecten aanzienlijk. “In de ggz wisten we de gemiddelde wachttijd met negen weken te verkorten”, zegt Beuting. “Bij ziekenhuiszorg gaat het gemiddeld om zes tot acht weken.”
Hij verwacht dat een proactieve benadering die effecten verder kan versterken. Niet doordat alle wachttijden verdwijnen, maar door beschikbare capaciteit slimmer te verdelen. “We zullen niet alle wachttijd boven de Treeknorm kunnen weghalen”, zegt hij. “Maar we willen wel de beschikbare zorgcapaciteit beter benutten.”
Daarvoor blijft verdere standaardisatie van data volgens hem essentieel. “Het is van belang dat databeschikbaarheid steeds beter wordt geregeld, want standaardisatie maakt uitwisseling eenvoudiger. Maar ook de kwaliteit van wachtlijstdata is belangrijk: één actuele bron zou enorm helpen.”