Een andere, meer integrale aanpak van bekostiging is noodzakelijk, maar niet genoeg om digitale zorg in de gehandicaptenzorg, verpleegzorg en wijkverpleging op te schalen en een normaal onderdeel van zorgprocessen te maken. Dat is de belangrijkste boodschap die spreekt uit een nieuw advies van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De toezichthouder kijkt nadrukkelijk naar financiering – het vaststellen van prestaties en tarieven behoort tot zijn kerntaken – maar concludeert tegelijk dat die pas effectief kan worden aangepast als ook de organisatie rond digitale zorg verandert. Denk daarbij aan randvoorwaarden zoals gegevensuitwisseling.
In een recent verschenen nieuwsbericht over het advies van de NZA stond de routekaart centraal waarmee de NZa zorgaanbieders, zorgkantoren, zorgverzekeraars, VWS en zorgprofessionals tot gezamenlijke actie oproept. Het onderliggende rapport Samen werken aan de opschaling van digitale zorg – uitgevoerd in opdracht van VWS - laat zien waarom die samenwerking binnen de langdurige zorg volgens de toezichthouder nodig is. Digitale zorg groeit namelijk wel, maar veel organisaties blijven steken in experimenteren en afzonderlijke toepassingen. Structuren en organisatievormen zijn nog sterk ingericht op fysieke zorg.
Dat botst met de kostenstructuur van digitalisering. Traditioneel bestaan de kosten in deze sectoren vooral uit personeelskosten. Bij digitale zorg worden infrastructuur, software, apparatuur, implementatie, beheer en ondersteuning belangrijkere kostenposten. Een deel daarvan bestaat uit structurele basiskosten die niet rechtstreeks aan één cliëntcontact zijn toe te rekenen. Tegelijk is de bekostiging van bijvoorbeeld wijkverpleging en het modulair pakket thuis (mpt) nog sterk verbonden met directe contacttijd.
Veel ruimte al aanwezig
Dat betekent niet dat digitale zorg momenteel niet bekostigd kan worden. De Wegwijzer bekostiging digitale zorg 2026 van de NZa laat juist zien hoeveel ruimte er al bestaat. In de wijkverpleging kan zorg op afstand bijvoorbeeld als directe contacttijd worden gedeclareerd. Voor thuiszorgtechnologie is bovendien maximaal 6,5 uur per cliënt per maand aanvullend te declareren, mits hierover afspraken zijn gemaakt met de verzekeraar. Ook zijn afspraken mogelijk via onder meer 'beloning op maat' en shared savings en shared benefits.
De Wegwijzer is vooral een praktische stand van zaken: zorgaanbieders en financiers hoeven niet altijd te wachten op nieuwe regels. Het nieuwe advies van de NZa kijkt een stap verder. De NZa stelt dat bestaande mogelijkheden niet automatisch leiden tot grootschalige transformatie. Digitale zorg vraagt om een volwassen digitaal ecosysteem, interoperabiliteit, standaardisatie, gegevensuitwisseling en samenwerking. Dat vertaalt de toezichthouder in drie samenhangende adviezen.
Samen organiseren
Het eerste advies luidt: organiseer digitale zorg gezamenlijk. Instellingen moeten nu zelf onder meer toepassingen selecteren en inkopen, contracten beheren, systemen koppelen, processen standaardiseren en implementaties ondersteunen. Dat kost specialistische kennis en capaciteit. Volgens de NZa worden de baten ten opzichte van die kosten groter wanneer deze werkzaamheden gezamenlijk worden georganiseerd.
Regionale samenwerking ligt vaak voor de hand, al waarschuwt de NZa dat dit geen doel op zichzelf moet worden. Voor randvoorwaarden zoals interoperabiliteit, landelijke standaarden of organisaties die bovenregionaal werken, kan landelijke of doelgroepgerichte samenwerking logischer en efficiënter zijn.
Het voorbeeld van De Zeeuwse Zorg Coalitie laat zien hoe een regionale aanpak kan werken. VVT-organisaties, huisartsenzorg en ziekenhuiszorg werken in deze coalitie met een gezamenlijke visie en architectuurprincipes. Een digitale samenwerkingsorganisatie bundelt expertise rond onder meer programmasturing, architectuur, informatiebeveiliging, privacy en financiering. Zij bewaakt samenhang en vormt één aanspreekpunt voor leveranciers en landelijke programma's. De opbouw wordt tijdelijk uit transformatiemiddelen betaald; tegelijkertijd wordt gewerkt aan structurele financiering.
Grens vervaagt
Het tweede advies draait om een minder technisch, maar fundamenteel vraagstuk: wanneer is een digitale toepassing zelfzorg en wanneer formele zorg? Die grens wordt volgens de NZa steeds minder scherp. Burgers gebruiken zelf al smartphones, smartwatches, bloeddrukmeters en apps nog voordat een zorgverlener betrokken raakt. Dezelfde informele regie over de eigen gezondheid kan later onderdeel worden van een behandel- of ondersteuningsplan. Daardoor ontstaan vragen over verantwoordelijkheid, eigenaarschap en vergoeding die per geval beantwoord moeten worden.
Een voorbeeld van zo’n antwoord is volgens het rapport de digitale voordeur die in verschillende regio's wordt ontwikkeld voor mensen met een beginnende zorgvraag. AI-zelftriage wordt daar gecombineerd met een digitale sociale kaart en zelfhulpmodules. Eerst kan informatie of zelfhulp worden aangeboden, vervolgens ondersteuning uit het eigen netwerk of welzijn en pas daarna professionele zorg. Dat kan formele zorg uitstellen.
Maar dit voorbeeld maakt tegelijkertijd een dilemma zichtbaar. Gebruikt een inwoner de toepassing zelfstandig, dan gaat het om zelfzorg. Betrekt een wijkverpleegkundige dezelfde toepassing bij een indicatiestelling, dan wordt zij onderdeel van formele zorg. De NZa wil daarom samen met VWS en Zorginstituut Nederland duidelijker afbakenen waar de grens ligt, terwijl zij tegelijk erkent dat technologische ontwikkelingen die grens voortdurend blijven verschuiven.
Bekostiging aanpassen
Het derde advies gaat rechtstreeks in op nieuwe bekostigingsvormen. De NZa wil voor wijkverpleging en het Wlz-mpt bijvoorbeeld een maandprestatie voor digitale zorg verder onderzoeken. Het huidige systeem, waarin veel zorg per uur en op basis van contacttijd wordt gedeclareerd, sluit onvoldoende aan bij structurele digitale kosten.
Zo'n maandprestatie kan alleen de basiskosten omvatten, of zowel basiskosten als kosten van specifieke toepassingen. De NZa wil verdere uitwerking koppelen aan meer overeenstemming in de sector over wat minimaal nodig is om digitale zorg te organiseren.
Voor intramurale gehandicapten- en verpleegzorg en het volledig pakket thuis ziet de NZa een ander probleem. Aanbieders ervaren de huidige beleidsregelwaarden en de normatieve inventariscomponent als onvoldoende om grootschalige digitalisering te financieren.
Daardoor blijven investeringen achter en worden de werkelijke digitale kosten vervolgens ook onvoldoende zichtbaar in kostenonderzoeken waarop nieuwe tarieven worden gebaseerd. Bij herijking moet daarom specifiek naar digitale zorg worden gekeken. Als dat onvoldoende oplevert, kan expliciete bekostiging worden overwogen, bijvoorbeeld via een aparte prestatie.
Meer actieve rol
Uit het rapport komt een toezichthouder naar voren die een duidelijke rol wil spelen in de digitale transformatie vanuit zijn kerntaken: ervoor zorgen dat de zorg betaalbaar, toegankelijk en van goede marktwerking blijft. De NZa wil die rol niet invullen door te bepalen welke technologie zorgverleners moeten inzetten – professionele autonomie en de behoefte van de cliënt blijven leidend – maar door te onderzoeken waar regelgeving en financiering de omslag belemmeren, partijen bijeen te brengen en waar nodig prestaties en tarieven aan te passen.
Dat past in een bredere ontwikkeling bij de toezichthouder. Zo werkt de NZa ook met ziekenhuizen, verzekeraars en beroepsorganisaties aan een meerjarige herziening van de bekostiging van medisch-specialistische zorg, zodat deze beter aansluit op passende zorg. Daarnaast onderzoekt de toezichthouder in opdracht van VWS welke knelpunten zorgorganisaties bij verduurzaming ervaren en in hoeverre bekostiging of contractering daarbij een rol speelt. Dit onderzoek moet in de tweede helft van 02026 worden opgeleverd. De gemene deler is dat maatschappelijke en organisatorische veranderingen steeds vaker botsen met financieringssystemen die voor een praktijk zijn ontworpen die niet langer bestaat of goed werkt.
Voor digitale zorg binnen de langdurige zorg kiest de NZa daarbij niet voor één grote stelselwijziging. De drie adviezen uit het rapport vormen eerder een transitieroute: eerst beter organiseren en verantwoordelijkheden verduidelijken, vervolgens gericht financieel stimuleren. Op langere termijn moeten die tijdelijke prikkels opgaan in reguliere integrale bekostiging. Digitale zorg is dan niet meer iets dat apart wordt opgeschaald, maar een vanzelfsprekend onderdeel van passende zorg.